Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR3893
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Minderjarige; geen recht op bijstand. Is er sprake van zeer dringende redenen tot bijstandverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Abw?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3315 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 23 mei 2002, reg.nr. Awb 01-656.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen en Th. de Riet, werkzaam bij de Stichting Andersom, en waar gedaagde met bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, staatloos, heeft gedaagde op 29 maart 2001 verzocht om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 11 juni 2001 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen op de grond dat appellante niet tot de kring van rechthebbenden behoort bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Abw. Gedaagde heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 25 september 2001 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde onder meer overwogen dat de zoon van appellante, Mohamed, geboren op 2 augustus 1995, op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw geen zelfstandig recht heeft op bijstand en dat er geen sprake is van een acute noodsituatie om op grond van artikel 11, eerste lid, van de Abw hiervan af te wijken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 september 2001 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat, gelet op hetgeen van de kant van appellante ter zitting is gesteld, in hoger beroep slechts ter beoordeling staat of Mohamed zelfstandig recht heeft op bijstand. In dat verband is van de kant van appellante erop gewezen dat Mohamed de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zijn astmatische klachten en platvoeten als zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Abw moeten worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die jonger is dan 18 jaar. Nu Mohamed ten tijde van belang de leeftijd van 18 jaar niet had bereikt, behoorde hij niet tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in paragraaf 1 van hoofdstuk II van de Abw.

Aan hem kan, in afwijking van het bepaalde in paragraaf 1 van hoofdstuk II van de Abw, slechts bijstand worden verleend, indien sprake is van zeer dringende redenen tot bijstandsverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Abw.

Naar het oordeel van de Raad was hiervan ten aanzien van Mohamed ten tijde van belang geen sprake. De Raad overweegt in dit verband dat niet is gebleken van een acute noodsituatie ten gevolge van de gestelde astmatische klachten en platvoeten van Mohamed, reeds omdat die klachten op geen enkele wijze met controleerbare en verifieerbare medische gegevens zijn onderbouwd. Het feit dat Mohamed, anders dan appellante, de Nederlandse nationaliteit heeft, kan evenmin als een zeer dringende reden in vorengenoemde zin worden aangemerkt.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep ter zitting nog naar voren is gebracht met betrekking tot vermeende strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind acht de Raad dermate vaag en algemeen gesteld dat daarin geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit kan zijn gelegen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x