Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR4018
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. Hoogte van de op te leggen boete.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/345 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2001, reg.nrs. 01/876 NABW en 01/877 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij is met ingang van 20 december 1999 werkzaamheden als toezichthouder gaan verrichten in dienst van de [Naam Stichting]. Op haar toegezonden inlichtingenformulieren over de maanden december 1999 en januari 2000 heeft zij vragen naar het (gaan) verrichten van werk en het ontvangen van inkomsten uit arbeid ontkennend beantwoord; op het inlichtingenformulier over de maand februari 2000 heeft zij aangegeven dat zij met ingang van 1 maart 2000 aan het werk zou gaan en in de maand februari 2000 geen inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Bij besluit van 17 mei 2000 heeft gedaagde het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van 20 december 1999 ingetrokken. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 juli 2000 heeft gedaagde de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 december 1999 tot en met 29 februari 2000 van appellante teruggevorderd op de grond dat zij onjuiste althans onvolledige informatie heeft gegeven. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 2 februari 2001, nr. MEC 200002372 (hierna: besluit I).

Bij besluit van eveneens 6 juli 2000 heeft gedaagde appellante een boete opgelegd van f 825,-- ( 374,37). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 2 februari 2001, nr. MEC 200002373 (hierna: besluit II).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten I en II ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Blijkens het aanvullend beroepschrift kan appellante zich niet verenigen met deze uitspraak, voorzover deze ziet op het beroep tegen besluit II.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Nu besluit I in rechte onaantastbaar is geworden, staat daarmee vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 14a, eerste lid, van de Abw. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het appellante verweten niet (behoorlijk) nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Voorts stelt de Raad vast dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting hier heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand over de periode van 20 december 1999 tot en met 29 februari 2000, zodat zich hier geen geval voordoet als bedoeld in artikel 14a, derde lid (tekst van 31 december 1998 tot en met 31 december 2001), van de Abw.

De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. De Wet werk en bijstand (Wwb) voorziet niet langer in de mogelijkheid van het opleggen van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw.
Uit het overgangsrecht neergelegd in artikel 2 van de Invoeringswet Wwb in verbinding met artikel 2 van het Inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2003, 386) en artikel 2 van de Invoeringsregeling Wwb (Stcrt. 2003, nr. 203) volgt echter dat artikel 14a van de Abw van kracht blijft tot uiterlijk 1 januari 2005. In het geval dat een college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn in artikel 2 van de Invoeringsregeling Wwb geboden mogelijkheid van nadere fasering van de invoering van de Wwb (dat is: op een eerder door het college te bepalen tijdstip dan 1 januari 2005 al uitvoering geven aan onderdelen van de Wwb die, zoals artikel 18, tweede lid, van de Wwb, van onmiddellijke inwerkingtreding op 1 januari 2004 zijn uitgezonderd), betekent dat onder meer dat artikel 14a van de Abw buiten toepassing moet blijven vanaf het tijdstip dat een college van burgemeester en wethouders van deze mogelijkheid gebruik maakt.

Uit de nader door gedaagde verstrekte gegevens is de Raad gebleken dat gedaagde van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt met ingang van 1 januari 2004 en dat op deze datum (onder andere) de door de raad van de gemeente Amsterdam vastgestelde Afstemmingsverordening Wwb (hierna: de Afstemmingsverordening) in werking is getreden. Artikel 18, tweede lid, van de Wwb bepaalt, voorzover hier van belang, dat het college van burgemeester en wethouders de bijstand verlaagt overeenkomstig deze verordening, indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Een van deze verplichtingen is de in artikel 17, eerste lid, van de Wwb omschreven inlichtingenverplichting. Artikel 5, tweede en derde lid, van de Afstemmingsverordening bepalen voor gevallen als hier aan de orde - samengevat - dat afstemming plaatsvindt door het verlagen van de bijstand met een aan het benadelingsbedrag gerelateerd bedrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit luidt op de dag van inwerkingtreding van de Wwb.

Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 juni 2004, onder meer gepubliceerd in RSV 2004/274 en USZ 2004/273, moet in gevallen als het onderhavige, waarin voor een bepaalde overtreding oorspronkelijk een boete op grond van de toenmalige regelgeving is opgelegd die in de nadien tot stand gekomen regelgeving wordt vervangen door de hiervoor vermelde andersoortige sanctie, deze voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR geacht worden een "penalty" te zijn in de zin van dat artikel. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het door gedaagde gehanteerde Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz is de boete vastgesteld op 15% van het fraude- bedrag, terwijl artikel 5, derde lid, van de Afstemmingsverordening met betrekking tot de hoogte van de sanctie voorziet in een lagere sanctie dan de bij besluit II gehandhaafde boete van 374,37. Vaststelling van het bedrag van de verlaging overeenkomstig artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten leidt immers tot een bedrag van 275,--, zijnde 10% van het benadelingsbedrag (f 5.912,80 x 10%= 268,31), naar boven afgerond op een veelvoud van 11,--.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellante kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin zij verkeert, de boete op een ander bedrag dan 275,-- zou moeten worden vastgesteld. De namens appellante gestelde strijd met het gelijkheids-beginsel is niet met concrete gegevens onderbouwd, zodat de Raad hieraan voorbijgaat. Ten slotte is de Raad niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid (tekst vanaf 31 december 1998), van de Abw op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover deze ziet op het beroep tegen besluit II, dient te worden vernietigd. Het beroep tegen dat besluit moet gegrond te worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd. De Raad zal, zelf in de zaak voorziend, bepalen dat aan appellante een boete van 275,-- wordt opgelegd.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, begroot op 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen besluit II ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt besluit II;
Bepaalt dat aan appellante een boete wordt opgelegd van 275,--, te betalen aan de gemeente Amsterdam;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 104,37 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x