Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR4539
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gezamenlijke huishouding. Afzien van het horen van de minderjarige zoon als getuige.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/841 NABW en 02/1007 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats 1], appellante, en [appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellante heeft mr. J.F.C. EliŽns, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 januari 2002, reg.nr. 00/1568 NABW.
Namens appellant heeft mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 januari 2002, reg.nr. 00/1629 NABW.

Gedaagde heeft in beide zaken verweer gevoerd.

Bij brief van 28 juli 2004 is namens appellante aan de Raad meegedeeld dat appellante als getuige wenst te doen horen haar zoon, geboren op 21 oktober 1991.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. EliŽns en mr. Ter Meulen-Mouwen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Hellenbrand, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst voorafgaand aan de behandeling van de zaken ten gronde teneinde het verzoek om getuigenverhoor te beoordelen en heeft na mondelinge mededeling van de beslissing terzake het onderzoek ter zitting weer heropend.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sinds 1 april 1992 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van fraudemeldingen heeft de sociale recherche van de gemeente Geleen onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28 juni 2000, heeft gedaagde bij besluit van 7 juli 2000 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 december 1998 tot en met 31 maart 2000 herzien (lees: ingetrokken) en de uitkering per 1 april 2000 beŽindigd op de grond dat appellante vanaf 1 december 1998 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, waarvan zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht geen opgave aan gedaagde heeft gedaan. Gedaagde heeft daarbij in aanmerking genomen dat er, gelet op het inkomen van appellant, in de hiervoor genoemde periode voldoende middelen aanwezig waren om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Bij hetzelfde besluit zijn de over voormelde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van fl. 39.656,28 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 7 juli 2000 heeft gedaagde voornoemd bedrag op basis van artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw mede van appellant teruggevorderd.

Bij besluiten van 7 en 14 november 2000 heeft gedaagde het tegen de besluiten van 7 juli 2000 door appellante respectievelijk appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Allereerst heeft de Raad met toepassing van artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten af te zien van het horen van de zoon van appellanten als getuige.

Daarbij heeft de Raad in het bijzonder en in onderling verband laten wegen de aard van het geschil, de leeftijd van de zoon ten tijde van de periode waarover hij zou dienen te verklaren (7-9 jaar) en diens leeftijd ten tijde van de zitting (12 jaar) alsmede de daarmee samenhangende, sterk afhankelijke positie van degenen over wie hij zou moeten verklaren. In het licht van die omstandigheden en de reeds in het procesdossier aanwezige gegevens kan het horen van de zoon van appellanten als getuige naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Ten gronde komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellanten in de periode in geding al dan niet een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw hebben gevoerd. Vaststaat dat appellanten eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, en dat uit hun relatie een kind is geboren dat door appellant is erkend. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Abw wordt onder deze omstandigheden een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht indien appellanten hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Daarbij is het motief van betrokkenen niet van belang.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gegevens van het door de sociale recherche verrichte onderzoek, genoegzaam naar voren is gekomen dat daarvan ten tijde in geding sprake was. De Raad kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan de door appellante op 12 april 2000 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, inhoudende dat appellant bij haar verbleef uit een oogpunt van veiligheid, vanwege een conflict met de onderburen, en om voor hun zoon het gezinsbeeld in stand te laten.

Appellante is in een later stadium teruggekomen op haar ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring en heeft aangevoerd dat deze verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs omdat de verklaring niet juist is geweest als gevolg van medicijngebruik. Daarbij is namens appellante een afschrift overgelegd van notities van de huisarts gemaakt naar aanleiding van een spreekuurbezoek.
De Raad vindt noch in de notities van de huisarts, noch in hetgeen hierover overigens namens appellante naar voren is gebracht, aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de verklaring van appellante tegenover de sociale recherche onder invloed van haar medicatie een onjuiste weergave van de feiten zou bevatten. De huisarts van appellante onderkent weliswaar (deels situatieve) angstproblematiek en maakt melding van hiermee samenhangend chronisch gebruik van medicijnen, maar dat dwingt niet tot de conclusie dat appellante niet in staat was te verklaren over hetgeen zich in haar dagelijkse leven afspeelt. De door haar afgelegde verklaring is voorts gedetailleerd en consistent, en hetgeen door appellante is verklaard wordt (op onderdelen) bovendien bevestigd door observaties, door de omstandigheden waaronder appellanten tijdens het huisbezoek op 12 april 2000 zijn aangetroffen en door verklaringen van derden. De Raad ziet gelet hierop dan ook geen aanleiding om, zoals namens appellante is verzocht, een deskundige op te dragen nader onderzoek te doen naar de invloed van de medicatie op de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring.
Gezien het voorgaande kon appellante met ingang van 1 december 1998 niet meer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstandsverlening, zodat zij geen recht meer had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Nu appellante geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan van het feit dat zij met appellant (opnieuw) een gezamenlijke huishouding voerde, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand verleend, zodat gedaagde op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden was tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. De Raad is daarbij niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van intrekking zou kunnen worden afgezien.

Met het voorgaande is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. De Raad ziet in de omstandigheden van appellante geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was om van terugvordering af te zien.

De medeterugvordering van appellant

Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw worden, indien de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van appellante is overwogen blijkt dat de Raad van oordeel is dat dit het geval is. In hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om tot een ander oordeel te komen. Anders dan appellant, ziet de Raad in het onderzoeksrapport geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen. De grief van appellant tegen de hantering in dit geval van het uit artikel 3, vierde lid, van de Abw voortvloeiende - zogenoemde - onweerlegbare rechtsvermoeden slaagt niet. De Raad verwijst naar zijn vaste rechtspraak op dit punt, onder meer blijkende uit de uitspraak van 29 januari 2002 (USZ 2002/94), alsmede naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, gepubliceerd in ondermeer RSV 2004/127.

Nu voorts vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Gedaagde was derhalve gehouden de over dit tijdvak ten onrechte ten aanzien van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering af te zien.
De aangevallen uitspraken komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. H.J de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Abw kan een partij beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Het beroep in cassatie wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x