Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR4740
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand. Hoogte van het maandelijks af te lossen bedrag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/2961 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. R. Beele, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2002, reg.nr. 01/4044 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beele en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Na onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan de gewezen echtgenote van appellant (hierna: [naam ex-echtgenote]) verleende bijstand heeft gedaagde vastgesteld dat [naam ex-echtgenote] van 11 juli 1994 tot en met 10 september 1997 een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd en dat appellant inkomsten uit arbeid heeft ontvangen zonder dat van deze feiten melding is gemaakt bij de sociale dienst Amsterdam. Gedaagde heeft daarin aanleiding gevonden de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 58.722,73 van [naam ex-echtgenote] terug te vorderen.

Bij besluit van 23 oktober 1998 heeft gedaagde met toepassing van artikel 84 van de Algemene bijstandswet (Abw) mede van appellant een bedrag van f 58.722,73 teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 15 januari 1999 is namens appellant een verzoek tot herziening van het besluit van 23 oktober 1998 ingediend. Op dat verzoek is tot op heden niet door gedaagde beslist.

Bij besluit van 25 oktober 2000 heeft gedaagde appellant de verplichting opgelegd met ingang van 1 oktober 2000 maandelijks een bedrag van f 600,-- af te lossen op het teruggevorderde bedrag.

Bij besluit van 5 oktober 2001 heeft gedaagde de tegen het besluit van 25 oktober 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 oktober 2001 ingestelde beroep voorzover dat betrekking had op het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellant om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige (ten aanzien van het terugvorderingsbesluit van 23 oktober 1998, het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellant van 15 januari 1999 om de terugvordering te herzien en de hoogte van het aflossingsbedrag van f 600,-- per maand) ongegrond verklaard.

Namens appellant is de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het terugvorderingsbesluit van 23 oktober 1998 in rechte is komen vast te staan. Dit had evenwel tot de conclusie dienen te leiden dat het beroep voorzover dit zag op de terugvordering niet-ontvankelijk is, omdat niet eerst - overeenkomstig de in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis - bezwaar is gemaakt tegen genoemd terugvorderingsbesluit. In zoverre kan de aangevallen uitspraak dan ook niet onverkort in stand blijven.

De Raad oordeelt voorts dat de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld dat het feit dat nog niet op het herzieningsbesluit is beslist niet tot aantasting van het besluit van 5 oktober 2001 kan leiden. Bij dat besluit is immers gehandhaafd het primaire besluit van 25 oktober 2000, welk besluit enkel tot onderwerp had de per 1 oktober 2000 vastgestelde aflossingsverplichting als bovenvermeld. Dit neemt overigens niet weg dat ook de Raad heeft moeten constateren dat kennelijk ook thans nog steeds niet formeel, althans niet in de vorm van een besluit, is gereageerd op het betreffende herzieningsverzoek van 15 januari 1999. De enkele vermelding van artikel 6:12, eerste en derde lid, van de Awb in het besluit van 5 oktober 2001 acht de Raad in dat verband bepaald ontoereikend. De Raad vertrouwt er dan ook op dat gedaagde daartoe alsnog binnen een redelijke termijn (van vier tot zes weken na de datum van deze uitspraak) overgaat.

De Raad deelt niet de opvatting van de rechtbank dat een verzoek om van terugvordering af te zien wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw ook nog bij burgemeester en wethouders kan worden ingediend nadat het terugvorderingsbesluit in rechte is komen vast te staan. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 30 maart 2004 (gepubliceerd in JWWB 2004/155) kan een beroep op dringende redenen als bedoeld in
artikel 78, derde lid, van de Abw tijdens de invorderingsprocedure niet slagen omdat artikel 78c van de Abw als een speciale van artikel 78 van de Abw afwijkende bepaling moet worden beschouwd bij de beoordeling van mogelijke kwijtschelding en afkoop van oudere schulden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat gedaagde inhoudelijk op het verzoek om toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw had dienen te beslissen. Daarin ligt besloten dat ten onrechte is geoordeeld dat het beroepschrift in zoverre naar gedaagde diende te worden doorgezonden onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb teneinde terzake alsnog een primair besluit te nemen.

De Raad oordeelt voorts met de rechtbank dat namens appellant geen steekhoudende argumenten zijn aangevoerd om het aflossingsbedrag op een lager bedrag te stellen dan f 600,-- per maand. Anders dan namens appellant is aangevoerd heeft gedaagde terecht geen rekening gehouden met de door appellant gestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van zijn ouders. De Raad wijst er in dit verband nog op dat, daargelaten of deze onderhoudsbijdrage in rechte afdwingbaar is, de vordering van gedaagde wegens ten onrechte verstrekte bijstand ingevolge artikel 89, eerste lid, van de Abw een bevoorrechte vordering is. Het voorgaande, mede bezien in het licht van hetgeen artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent de beslagvrije voet bepaalt, leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde het aflossingsbedrag op f 600,-- per maand heeft kunnen vaststellen.

De rechtbank heeft het beroep in zoverre dan ook terecht ongegrond verklaard.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet geheel in stand kan blijven, zodat moet worden beslist als aangegeven in rubriek III. De Raad merkt daarbij nog op dat het beroep terzake van de toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw weliswaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, maar dat dit - zoals hierboven is overwogen - op onjuiste gronden is geschied.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op 644,-- in beroep en 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 23 oktober 1998 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 1998 niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.288,-- te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x