Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR4890
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer02/6278 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. G.F. Schmitz, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 november 2002, reg.nr. 01/911 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 oktober 2004, waar voor appellant mr. Schmitz is verschenen en waar gedaagde - met bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet toegekend, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is met ingang van 1 oktober 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar dezelfde norm.

Door de sociale recherche is onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan [betrokkene] toegekende uitkering. Op grond van de resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 16 januari 2001, heeft gedaagde onder meer geconcludeerd dat [betrokkene] gedurende de periode van 1 mei 1994 tot 1 december 2000 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Bij besluit van 29 januari 2001 heeft gedaagde het recht van [betrokkene] op uitkering over de periode van 1 februari 1996 tot 1 december 2000 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van de volgens gedaagde ten onrechte over deze periode verleende bijstand van [betrokkene] teruggevorderd. Het namens [betrokkene] tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 12 juni 2001. [Betrokkene] heeft het tegen het besluit van 12 juni 2001 ingestelde beroep ingetrokken.

Bij besluit van eveneens 29 juni 2001 heeft gedaagde de kosten van de volgens gedaagde ten onrechte aan [betrokkene] verleende bijstand over de periode van 1 februari 1996 tot 1 december 2000 tot een bedrag van f 118.780,60 mede van appellant teruggevorderd. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 12 juni 2001. Gedaagde heeft deze terugvordering gebaseerd op artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het ten aanzien van hem genomen besluit van 12 juni 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw (zoals dat luidde ten tijde in geding) wordt indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand (vanaf 31 december 1998: aan gehuwden) had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 65 van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Op grond van het derde lid, van voornoemd artikel zijn de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Niet in geschil is dat eiser en mevrouw [betrokkene] in de periode 1 februari 1996 tot 1 december 2000 een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw hebben gevoerd en dat mevrouw [betrokkene] deze gezamenlijke huishouding niet aan verweerder heeft gemeld. De rechtbank gaat van de juistheid hiervan uit.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 84, tweede lid van de Abw is voldaan. In navolging van de Hoge Raad in zijn arrest van 1 december 1995, RvdW 1995, 253 is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, indien deze aannemelijk maakt ten tijde van de bijstandsverlening daarvan onkundig te zijn geweest. In casu is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onkundig was van de bijstandsverlening aan mevrouw [betrokkene] gezien het feit dat eiser wist dat mevrouw [betrokkene] een uitkering van verweerder ontving. Ter zitting heeft eiser verklaard op de hoogte te zijn van het feit dat verweerder bijstandsuitkeringen verstrekt en dat daarbij samenwoning van belang is. Het feit dat eiser dacht dat mevrouw [betrokkene] de uitkering behield omdat zij een schildklierziekte heeft, doet daar niet aan af.”

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep namens appellant naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid (tekst tot en vanaf 31 december 1998), van de Abw voor onjuist te houden. Het verweer dat appellant van de bijstandsverlening aan [betrokkene] geen kennis droeg is naar het oordeel van de Raad op goede gronden door de rechtbank verworpen.

Het betoog van de gemachtigde van appellant dat door het lange stilzitten aan gedaagde het recht tot terugvordering geheel of gedeeltelijk moet worden ontzegd, kan de Raad niet volgen. Indien aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan, is gedaagde immers gehouden daartoe over te gaan. De gevolgen van te lang stilzitten worden bovendien reeds ingeperkt door de wettelijke vervaltermijn van vijf jaar, waaraan in dit geval ook toepassing is gegeven.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant van de ten laste gelegde opzetheling heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van mede terugvordering van appellant af te zien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x