Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR4971
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van de bijstandsaanvraag. Ten onrechte is in dit geval toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/5922 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2002, reg.nr. 00/3495 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 oktober 2004, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, van Ghanese nationaliteit, heeft op 15 april 1999 een aanvraag tot toekenning van algemene bijstand ingediend. Bij besluit van 8 juni 1999 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 19 november 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 1999 ongegrond verklaard op de grond dat appellante niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning en ingevolge de Koppelingswet geen recht op bijstand had. Bij uitspraak van 15 oktober 2002, reg.nr. 00/29 NABW, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 november 1999 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft in december 1999 verzocht om toelating in Nederland op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen. Naar aanleiding hiervan heeft de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 13 december 1999 appellante toegestaan de behandeling van haar verzoek in Nederland af te wachten. Onder verwijzing naar dit verzoek heeft appellante op 20 januari 2000 opnieuw een aanvraag tot toekenning van algemene bijstand ingediend. Bij besluit van 6 maart 2000 heeft gedaagde het besluit afgewezen op de grond dat zich na het besluit van 19 november 1999 geen nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die een andere beslissing rechtvaardigen.

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2000 ongegrond verklaard op de grond dat appellante geen melding heeft gemaakt van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 mei 2000 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat, nu appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 15 oktober 2002, reg.nr. 00/29 NABW, daarmee in rechte is komen vast te staan dat appellante op 15 april 1999 geen recht op bijstand had. De Raad stelt vervolgens vast dat de onderhavige aanvraag van appellante ziet op verlening van bijstand met ingang van 20 januari 2000.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde hiermee miskend dat de aanvraag van appellante ziet op de verlening van bijstand met ingang van een datum, welke is gelegen na de datum waarop afwijzend is beslist op de aanvraag van 15 april 1999.

Dit betekent dat het besluit van 19 mei 2000 wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. De Raad heeft echter aanleiding gevonden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hij overweegt daartoe het volgende.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad ligt het in een geval als het onderhavige, waarin een nieuwe aanvraag na een eerdere afwijzing van een aanvraag om bijstand voorligt, in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die afwijzingsdatum een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat betrokkene thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. De Raad stelt vast dat appellante op de in dit geding relevante datum, zijnde 20 januari 2000, geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Appellante was immers geen vreemdeling in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (oud). Zij kon ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid (oud), van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308) met een Nederlander worden gelijkgesteld.

De afwijzing van de aanvraag om bijstand kan niet als strijdig met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) worden bestempeld. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van
26 juni 2001, gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186. In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 IVBPR onder meer tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en op 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 mei 2000;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 966,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.

(get.) G.A.J. v.d. Hurk.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x