Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR5398
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van de bijstand vanwege het volgen van een niet als noodzakelijk aangemerkte opleiding tot HBO-verpleegkundige. Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Overschrijding van de bezwaartermijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/5034 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2002, reg. nr. 02/3055 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd enige stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Angeren, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 22 oktober 1999 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op het aanvraagformulier heeft zij onder andere vermeld dat zij het eerste jaar van de opleiding HBO-verpleegkundige volgt.

Bij besluit van 28 december 1999 heeft gedaagde appellante met ingang van 1 november 1999 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op grond van een in april/mei 2001 verricht heronderzoek heeft gedaagde geconstateerd dat de opleiding van appellante ten minste 19 uur per week in beslag neemt. Bij besluit van 19 juni 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde daarop het volgende bepaald:

"Een hogere beroeps of universitaire opleiding wordt in het algemeen geen noodzakelijke scholing geacht, behalve wanneer het gaat om een kortdurend op werklozen gericht project. In uw geval is daarvan geen sprake.

U moet daarom voor minimaal 19 uren per week beschikbaar zijn voor werk.
Gelet op de studiebelasting van 30 uur per week van de HBO-V opleiding voldoet u niet aan deze verplichting. U kunt de opleiding daarom niet langer volgen met behoud van uitkering.

Omdat u hier eerder expliciet opgewezen bent, zijn wij van mening dat u in de gelegenheid moet worden gesteld om het 2e jaar schooljaar (2000/2001) nog met behoud van uitkering te kunnen volgen. Het 3e schooljaar (2001/2002) kunt u niet meer met behoud van uitkering volgen.

Om uw uitkering te behouden dient u voor 15 juli 2001 uw uitschrijvingsbewijs HBO-V schooljaar 2001/2002 te tonen. Tevens dient u zich te oriŽnteren op werk in de gezondheidszorg. Gaat u eens langs bij het arbeidsbureau. En laat u zich bij uitzendbureaus (minimaal 3) inschrijven. Onderzoek ook de mogelijkheden van kinderopvang."

Bij een ander op 19 juni 2001 genomen besluit heeft gedaagde appellante doen weten dat het heronderzoek voor haar niet tot een verandering zal leiden.

Bij besluit van 13 februari 2002 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2002 beŽindigd, daartoe overwegend dat zij de door gedaagde niet als noodzakelijk aangemerkte opleiding HBO-verpleegkundige slechts tot het einde van het schooljaar 2000-2001 mocht volgen en zij, gelet op haar opleidingsniveau, in staat moet zijn een voltijdbaan te vinden in de sector waarin zij nu in deeltijd werkzaam is.

Bij brief van 20 februari 2002 heeft appellante zowel tegen besluit 1 als tegen besluit 2 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 juli 2002 - voorzover nog van belang - heeft gedaagde het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verontschuldigbare overschrijding van de voor het maken van bezwaar geldende termijn. Het bezwaar tegen besluit 2 is gegrond verklaard in die zin dat de datum met ingang waarvan de uitkering van appellante wordt beŽindigd, is gewijzigd in 1 februari 2002.

Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 2 juli 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij blijft van opvatting dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet binnen de geldende termijn bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 1, terwijl zij zich evenmin kan verenigen met de beŽindiging van haar uitkering met ingang van 1 februari 2002.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Ten aanzien van besluit 1

De Raad ziet met gedaagde en de rechtbank geen reden om te oordelen dat het appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij tegen besluit 1 niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. In dat besluit is appellante kenbaar gemaakt dat de door haar gevolgde opleiding HBO-verpleegkundige niet als noodzakelijk wordt aangemerkt en dat zij het derde jaar van die opleiding niet meer met behoud van uitkering kan volgen. Appellante heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat appellante in het daarop gevolgde gesprek met een van de medewerkers van gedaagde is medegedeeld dat besluit 1 niet wordt gehandhaafd en dat het haar, in afwijking van dat besluit, wordt toegestaan haar opleiding met behoud van uitkering te blijven volgen. Dat appellante op basis van bedoeld gesprek meende dat zij haar opleiding met behoud van uitkering zou mogen voortzetten mits zij betaald werk voor 19 uur per week zou vinden en kinderopvang zou regelen, en zich eerst nadien heeft gerealiseerd dat gedaagde vasthield aan zijn besluit dat appellante haar opleiding niet met behoud van uitkering mocht continueren, moet voor risico van appellante blijven en vormt geen grond om de overschrijding van de bezwaartermijn te verontschuldigen. Daaraan kan het tweede op 19 juni 2001 genomen besluit niet afdoen.



Ten aanzien van besluit 2

De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellante op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw (ook) op en na 1 februari 2002 geen recht had op bijstand. Vast staat immers dat de door appellante ook toen nog gevolgde opleiding ten minste 19 uur per week in beslag nam. Daarlatend dat bij het rechtens vaststaande besluit 1 is bepaald dat de opleiding van appellante niet als noodzakelijk wordt aangemerkt, wijst de Raad er op dat het bepaalde in artikel 1 van de ten tijde van belang van toepassing zijnde Regeling noodzakelijke scholing er aan in de weg staat om de door appellante gevolgde opleiding als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid aan te merken.
Voorts faalt naar het oordeel van de Raad het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd (onjuiste of onvolledige) inlichtingen zijn verschaft die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van dergelijke inlichtingen is in het onderhavige geval geen sprake, terwijl de Raad geen reden ziet om het feit dat gedaagde appellante in weerwil van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw in de periode voorafgaand aan 1 februari 2002 bijstand heeft verleend daaraan gelijk te stellen.

Ten slotte is er naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 11 van de Abw. Appellante verkeerde ten tijde van belang niet in een acute noodsituatie en evenmin was het verlenen van bijstand, met voorbijzien aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw, volstrekt onvermijdelijk.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. JŲrg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. JŲrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x