Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR5616
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering van bijstand met terugwerkende kracht. Er is geen sprake van dringende redenen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/5220 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 28 augustus 2002, reg.nr. 01/4093 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door G. Groot als haar gemachtigde, en waar gedaagde zich - met bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 24 juni 1999 alsnog om bijstand verzocht over de periode van 16 augustus 1994 tot 25 maart 1995. Bij besluit van 13 juli 1999 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante in die periode niet woonachtig was in de gemeente ís-Gravenhage.

Bij besluit van 12 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 1999 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die gedaagde ertoe hadden moeten brengen om met terugwerkende kracht tot bijstandsverlening over te gaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit het in artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) neergelegde uitgangspunt volgt dat bijstand op aanvraag wordt verleend en dat derhalve in beginsel geen bijstand wordt verleend met terugwerkende kracht. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

De Raad is van dergelijke omstandigheden niet gebleken.

Niet is komen vast te staan dat appellante al in 1994 een aanvraag om bijstand bij gedaagde heeft ingediend. Evenmin is gebleken dat appellante op enigerlei wijze actie in de richting van gedaagde heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.
Voorts is de Raad niet gebleken dat appellante gedurende de periode van 16 augustus 1994 tot 25 maart 1995 buiten staat was een aanvraag om bijstand in te dienen dan wel een gegronde reden voor latere indiening had. De zich onder de gedingstukken bevindende medische gegevens over de psychische gesteldheid van appellante bieden onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellante op psychische gronden verhinderd zou zijn geweest om gedurende voornoemde periode een aanvraag om bijstand in te dienen. Zo er al belemmeringen waren voor appellante voor het indienen van een aanvraag, zou zij bovendien een derde hebben kunnen inschakelen om namens haar een aanvraag in te dienen. Het enkele feit ten slotte dat door andere gemeenten met terugwerkende kracht een uitkering ingevolge de Abw is verstrekt kan, gelet op de eigen bevoegdheid en beoordelingsruimte die gedaagde in dit kader toekomt, niet als een bijzondere omstandigheid in bovenbedoelde zin gelden. Dit betekent dat gedaagde terecht de aanvraag om een uitkering heeft afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2004.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x