Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR5945
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De toegestane verblijfsduur in het buitenland voor personen die op basis van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid zijn ontheven van de verplichtingen gericht op de inschakeling in arbeid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/195 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 november 2001, reg.nr. AWB 01/76.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Hogervorst, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1963, ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Op 17 april 2000 heeft hij gedaagde verzocht om met behoud van uitkering voor langere tijd dan de gebruikelijke vier weken bij familie in het buitenland te mogen verblijven. Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 24 juli 2000 afgewezen.
Bij besluit van 12 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 december 2000 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gedaagde heeft aan het besluit van 12 december 2000 ten grondslag gelegd dat appellant, gelet op zijn leeftijd, op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw in samenhang met artikel 1 van de op artikel 9, derde lid, van de Abw gebaseerde Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw, (hierna: Regeling) maximaal vier weken per jaar in het buitenland mag verblijven met behoud van zijn bijstandsuitkering. In artikel 1 van deze Regeling is immers bepaald, zo heeft gedaagde overwogen, dat onder de gebruikelijke vakantieduur, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw, wordt verstaan: voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: dertien weken per kalenderjaar (onderdeel a), en voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar (onderdeel b). Gedaagde heeft in de situatie van appellant geen aanleiding gezien om hem toe te staan met behoud van zijn bijstandsuitkering langer dan de gebruikelijke vier weken in het buitenland te verblijven.

In zijn uitspraak van 3 september 2002, gepubliceerd in RSV 2002/244, JABW 2002/189 en USZ 2002/297, heeft de Raad omtrent het in de Regeling gemaakte onderscheid naar leeftijd geoordeeld dat in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Abw en van de Regeling geen argumenten zijn aangetroffen ter rechtvaardiging van het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden ten aanzien van wie buiten twijfel is dat het voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, niet, althans niet (meer) in de voor de beoordeling van een aanvraag om toestemming voor verblijf in het buitenland relevante periode, mag worden gevergd.

In onderhavig geschil staat vast dat gedaagde appellant bij besluit van 31 januari 2000 volledig heeft vrijgesteld van de verplichtingen gericht op de inschakeling in arbeid, zoals bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Dit besluit is gebaseerd op het op 19 januari 2000 uitgebrachte advies van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (verder: GGD) van Zuidelijk Zuid-Limburg. De GGD heeft gedaagde hierbij geadviseerd appellant tijdelijk volledig arbeidsongeschikt te achten en een controle met betrekking tot deelname aan passend werk over een half jaar te laten plaatsvinden. Eerst in februari 2001 is een medisch heronderzoek verricht naar aanleiding waarvan appellant bij besluit van 30 januari 2002 (tot 1 februari 2003) wederom geheel is ontheven van de verplichtingen gericht op de inschakeling in arbeid. Op grond van deze gegevens is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant buiten twijfel is dat hij ten tijde in geding (volledig) ontheven was van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. De Regeling dient dan ook in dit geval wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten buiten toepassing te worden gelaten. Het daarop gebaseerde besluit van 12 december 2000 kan derhalve in rechte geen stand houden.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 december 2000 vernietigen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2000 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.288,--, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x