Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR6073
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De toegestane verblijfsduur in het buitenland voor personen die op basis van hun arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk zijn ontheven van de verplichtingen gericht op de inschakeling in arbeid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/860 NABW en 03/861 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente s-Hertogenbosch, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. P.J.M. van Kuppenveld, advocaat te s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 7 januari 2003, reg.nr. 02/649 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2004, waar appellanten niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door I. van Kersen, werkzaam bij de gemeente s-Hertogenbosch.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvangen een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 11 januari 2001 heeft gedaagde appellante, geboren in 1952, tijdelijk ontheven van de verplichtingen gericht op de inschakeling in arbeid, zoals bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw.
Appellant, geboren in 1938, is, gelet op zijn leeftijd, volledig ontheven van de hierboven vermelde verplichtingen.

Appellanten verbleven in de periode van 5 juli 2001 tot 29 september 2001 voor vakantie in het buitenland.

Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft gedaagde de aan appellanten verleende bijstandsuitkering over de periode van 2 augustus 2001 tot 29 september 2001 gewijzigd naar een uitkering bestemd voor appellant en berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2001 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante, gelet op haar leeftijd, op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw in samenhang met artikel 1 van de op artikel 9, derde lid, van de Abw gebaseerde Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw, (hierna: Regeling) maximaal vier weken per jaar in het buitenland mag verblijven met behoud van haar bijstandsuitkering. In artikel 1 van deze Regeling is immers bepaald dat onder de gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw wordt verstaan: voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: dertien weken per kalenderjaar (onderdeel a), en voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar (onderdeel b). Gedaagde heeft in het gegeven dat appellante ten tijde in geding voorlopig ontheven was van de arbeidsverplichtingen genoemd in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw geen aanleiding gezien voor de conclusie dat appellante wat de toegestane vakantieduur betreft in vergelijkbare omstandigheden verkeerde als een belanghebbende van 57,5 jaar en ouder.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 januari 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"(...). Artikel 113, eerste lid, van de Abw luidde ten tijde hier van belang als volgt:
De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is verplicht:
a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
c. passende arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding, die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen."

  Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan Onze Minister regels stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van een of meer verplichtingen genoemd in het eerste lid ten aanzien van een of meer categorien belanghebbenden. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (hierna: Regeling vrijstelling). Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling vrijstelling (tekst tot 1 mei 1999) waren belanghebbenden van 57,5 jaar en ouder van alle verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Abw vrijgesteld. Sinds 1 mei 1999 is artikel 1, eerste lid, van de Regeling vrijstelling in die zin gewijzigd dat belanghebbenden die op of na die datum de leeftijd van 57,5 jaar bereiken niet langer zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van de Abw. (...).

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 3 september 2002, gepubliceerd in RSV 2002, nr. 244, toepassing van artikel 1 van de Regeling in onderhavig geval vanwege ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie in strijd is met het in artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten neergelegde gelijkheidsbeginsel.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals de Raad in voornoemde uitspraak heeft overwogen, is de met de Regeling tot stand gekomen verruiming van de vakantieduur gericht op belanghebbenden van wie wederinpassing in het arbeidsproces volgens de besluitgever in het algemeen niet mocht worden verwacht en die om die reden geheel zijn vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Voorts oordeelt de Raad dat er in de Abw andere groepen van belanghebbenden, jonger dan 57,5 jaar, zijn aan te wijzen die van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling zijn ontheven of vrijgesteld en die, zolang zij van bedoelde verplichtingen zijn ontheven of vrijgesteld, in vergelijkbare omstandigheden verkeren als degenen die vr 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en niet aan de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw hoeven te voldoen. Tot slot heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat hij in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Abw en van de Regeling geen argumenten heeft aangetroffen ter rechtvaardiging van het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden ten aanzien van wie buiten twijfel is dat het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, niet, althans niet (meer) in de voor de beoordeling van een aanvraag om toestemming voor verblijf in het buitenland relevante periode, mag worden gevergd.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie, aangezien [appellante] in de periode van 2 augustus 2001 tot en met 29 september 2001 slechts was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen genoemd in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw en dus niet in vergelijkbare omstandigheden verkeerde als degenen die vr 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en zijn vrijgesteld van alle arbeidsverplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw. Voorts verkeerde zij naar het oordeel van de rechtbank evenmin in vergelijkbare omstandigheden als degenen die sinds 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en die zijn vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, e en f. Immers, [appellante] diende wl te voldoen aan de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder e en f. Daarmee golden voor haar meer en zwaardere arbeidsverplichtingen dan voor deze groep belanghebbenden van 57,5 jaar en ouder. In voornoemde uitspraak van de Raad vindt de rechtbank overigens geen ondersteuning voor het standpunt van eisers dat het enkele feit dat [appellante] was vrijgesteld van de sollicitatieplicht, zoals bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, maakt dat zij in dezelfde omstandigheden verkeerde als degenen van 57,5 jaar en ouder. (...)."

De Raad heeft in hetgeen namens appellanten in hoger beroep is aangevoerd - dat in vergelijking met de grieven in eerste aanleg geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten bevat - en hetgeen overigens in de gedingstukken vermeld staat, geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen. De Raad onderschrijft daarbij de overwegingen waarop het oordeel van de rechtbank berust en voegt daaraan nog toe dat hij appellanten niet kan volgen voorzover zij beogen aan te voeren dat er geen materieel onderscheid was tussen de situatie van appellante en die van personen van 57,5 jaar en ouder die van de verplichtingen ingevolge artikel 113, aanhef en onder e en f, Abw waren ontheven. De Raad wijst daarbij op de gedingstukken waaruit blijkt dat gedaagde appellante heeft aangemerkt als een zogeheten Rea-kandidaat en in dat kader heeft gepoogd om appellante weer in te schakelen in de arbeid. Dat appellante, door welke oorzaak dan ook, in de in geding zijnde periode door gedaagde nog niet is opgeroepen, doet hieraan niet af.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x