Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR6184
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Vermelding van de hoogte van het terug te vorderen bedrag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/3174 NABW en 04/5274 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:




[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. A.P.G.M. Schreurs, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 juni 2002, reg.nr. 02/315 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Schreurs en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg. Ter zitting heeft mr. Crombach een besluit van gedaagde van 5 september 2002 overgelegd.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving ten tijde van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een heronderzoek in oktober 2001 heeft gedaagde bij besluit van 2 november 2001 de aan appellante over de periode van 16 september 1999 tot 1 oktober 2001 toegekende uitkering herzien. Voorts heeft gedaagde besloten de over die periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Het besluit vermeldt verder dat appellante over de hoogte van het bedrag dat zij dient terug te betalen nader bericht zal krijgen.

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 januari 2002, voorzover aangevochten, ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Bij besluit van 5 september 2002 heeft gedaagde onder meer vastgesteld dat appellante over de periode van 16 september 1999 tot 1 oktober 2001 € 10.170,54 (bruto) teveel aan uitkering heeft ontvangen en dat bedrag van appellante teruggevorderd. De Raad merkt dit besluit, voorzover het op de terugvordering ziet, aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18 eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling moet worden betrokken.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Met betrekking tot de herziening

Artikel 69, derde lid, van de Abw bepaalt, voorzover thans van belang, dat burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Uit de tekst van artikel 69, derde lid, van de Abw, met name uit het gebruik van het woord ‘anderszins’, vloeit voort dat het bepaalde in het derde lid, aanhef en onder b slechts toepassing kan vinden indien is vastgesteld dat het bepaalde in het derde lid, aanhef en onder a, geen toepassing vindt. Op grond van de stukken moet worden vastgesteld dat gedaagde de herziening van de uitkering over de periode vanaf 16 december 1999 tot 1 oktober 2001 heeft gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante gedurende de periode van 16 december 1999 tot 1 oktober 2001 met [partner] (hierna: [partner]) een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Partijen zijn het er verder over eens dat [partner] gedurende die periode geen recht op bijstand had, dat hij een uitkering als asielzoeker ontving en dat die uitkering vermeerderd met de voor appellante geldende bijstandsnorm hoger was dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Dit betekent dat gedaagde, gelet op het bepaalde in artikel 50, eerste lid, van de Abw, gehouden was het meerdere op de bijstand van appellante in mindering te brengen. Nu gedaagde dit niet heeft gedaan, is aan appellante tot een te hoog bedrag bijstand verleend.

De Raad stelt vast dat gedaagde appellante tot een te hoog bedrag bijstand heeft verleend omdat appellante haar inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden. Weliswaar heeft appellante op het heronderzoeksformulier van 16 december 1999 aan gedaagde gemeld dat op haar adres haar niet-rechthebbende partner woonachtig was, maar zij heeft op dat formulier de vraag of zij en/of haar partner inkomsten heeft, in strijd met de feiten ontkennend beantwoord. Niet aangetoond, noch gebleken is dat appellante op enig ander moment gedurende de periode in geding aan gedaagde heeft gemeld dat [partner] inkomsten had. Zo vindt de stelling van appellante dat zij tijdens een gesprek met de bijstandsconsulent in januari 2000 heeft gemeld dat [partner] inkomsten had, geen steun in de gedingstukken. Blijkens de gedingstukken is gedaagde eerst op 24 oktober 2001 te weten gekomen dat [partner] gedurende de periode in geding inkomsten genoot.

Nu vaststaat dat tot een te hoog bedrag bijstand is verleend als gevolg van het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw moet worden geoordeeld dat gedaagde de herziening van de bijstand ten onrechte heeft gebaseerd op het bepaalde in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw. Het besluit van 31 januari 2002, voorzover dat betrekking heeft op herziening van de uitkering over de periode in geding, komt derhalve wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Niettemin bestaat er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 31 januari 2002 in stand te laten. De herziening kan immers worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Voorts is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van herziening kan worden afgezien. Evenmin is gebleken dat door gedaagde bij appellante het vertrouwen is gewekt dat de inkomsten van [partner] niet zouden leiden tot een korting op haar uitkering en dat een herziening van de uitkering in verband met die inkomsten achterwege zou blijven. Appellante heeft in dit verband naar voren gebracht dat de bijstandsconsulent haar in januari 2000 heeft gezegd dat de omstandigheid dat [partner] inkomsten had niet van belang was omdat [partner] asielzoeker is en dat zij die inkomsten daarom ook niet aan gedaagde hoefde te melden. Deze stelling vindt echter geen steun in de gedingstukken.



Met betrekking tot de terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 december 1999 tot 1 oktober 2001. Gedaagde heeft weliswaar besloten tot terugvordering maar heeft de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet vastgesteld. Een terugvorderingsbesluit moet echter als één geheel worden beschouwd en dient uit te monden in een daarin te vermelden bedrag aan teruggevorderde bijstand. Dit klemt temeer nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert. Het besluit van 31 januari 2002 komt derhalve, ook voorzover het betrekking heeft op de terugvordering van de uitkering over de periode in geding, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.



Met betrekking tot het besluit van 5 september 2002

Hiervoor is al overwogen dat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 december 1999 tot 1 oktober 2001 over te gaan. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat gedaagde de over die periode te veel verstrekte bijstand ten onrechte op een bedrag van € 10.170,54 (bruto) heeft vastgesteld, zodat gedaagde in het besluit van 5 september 2002 terecht heeft besloten tot terugvordering van dat bedrag.



Slotoverweging

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 31 januari 2002, voorzover dat betrekking heeft op de herziening van de uitkering over de periode 16 december 1999 tot 1 oktober 2001 en op de terugvordering van de uitkering over die periode, voor vernietiging in aanmerking komt. Aangezien de rechtbank het besluit van 31 januari 2002 in stand heeft gelaten, dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2002, voorzover dit besluit betrekking heeft op de herziening van de uitkering over de periode 16 december 1999 tot 1 oktober 2001, in stand blijven. De Raad zal het beroep tegen het terugvorderingsbesluit van 5 september 2002 ongegrond verklaren.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 650,30 in beroep (€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 6,30 aan reiskosten) en € 654,30 in hoger beroep (€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 10,30 aan reiskosten).




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 31 januari 2002;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2002 in stand blijven
voorzover het betreft de herziening van de uitkering over de periode 16 december 1999 tot 1 oktober 2001;
Verklaart het beroep tegen het terugvorderingsbesluit van 5 september 2002 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1304,60 te betalen door de gemeente Tilburg aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 111,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x