Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR6527
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. Boeteoplegging.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/1069 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ís-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 28 januari 2003, reg.nr. 02/1770 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 oktober 2004, waar voor appellant is verschenen mr. De Wit, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 25 augustus 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van signalen van het GAK dat appellant in de periode van 19 februari 2001 tot en met 11 mei 2001 werkzaam zou zijn geweest via uitzendbureau [naam uitzendbureau] te ís-Gravenhage (hierna: het uitzendbureau) en inkomsten heeft genoten, heeft gedaagde informatie opgevraagd bij het uitzendbureau. Blijkens de gegevens van het uitzendbureau heeft appellant in de periode van 19 februari 2001 tot 11 mei 2001 werkzaamheden verricht en inkomsten genoten, welke contant aan hem zijn voldaan.

Bij besluit van 2 augustus 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over het tijdvak 19 februari 2001 tot en met 11 mei 2001 herzien op de grond dat appellant door het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen de verplichting bedoeld in artikel 65 Abw heeft geschonden, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend. De over die periode gemaakte kosten van bijstand zijn bij datzelfde besluit van appellant teruggevorderd tot een bedrag van f. 3.609,80.

Bij besluit van 22 augustus 2001 heeft gedaagde appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting, een boete opgelegd van f. 450,--, zijnde 10% van het fraudebedrag.

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft gedaagde de gemaakte bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 augustus 2001 en 22 augustus 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 maart 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van door hem verrichte werkzaamheden. Hij stelt nimmer voor het uitzendbureau werkzaamheden te hebben verricht en stelt hiertoe - gelet op zijn handicap als gevolg van een hersenbloeding - ook niet in staat te zijn. Appellant stelt voorts dat iemand anders, zonder zijn toestemming, gebruik heeft gemaakt van zijn identiteitsbewijs. Hij sluit niet uit dat daarvoor gebruik is gemaakt van het identiteitsbewijs dat hij in november 2000 is verloren. Appellant heeft op 24 november 2000 aangifte gedaan bij de politie van de vermissing. Appellant dient voorts nog een verklaring in van de heer [naam tolk] (hierna: [naam tolk]), welke als tolk heeft gefungeerd tijdens de gesprekken tussen de gemachtigde van appellant en de heer [eigenaar] (hierna [eigenaar]), eigenaar van het uitzendbureau. [naam tolk] verklaart dat [eigenaar] appellant ten tijde van het gesprek niet herkende en dat hij opmerkte dat appellant niet voor hem heeft gewerkt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat appellant in de periode van 19 februari 2001 tot en met 11 mei 2001 werkzaamheden via het uitzendbureau heeft verricht en inkomsten heeft genoten, waarvan door hem aan gedaagde geen mededeling is gedaan. Gelet op de gegevens van het GAK, in combinatie met de door het uitzendbureau verstrekte inkomensgegevens, alsmede de - in eerste instantie - door [eigenaar] afgelegde verklaring dat appellant voor hem heeft gewerkt, is in voldoende mate aangetoond dat appellant in de betreffende periode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten. In een dergelijk geval is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De Raad is van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat niet hij, maar een ander de betreffende werkzaamheden heeft verricht. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant noch bij de politie, noch bij de Belastingdienst aangifte heeft gedaan van misbruik van zijn sofinummer. Aan de eerst in hoger beroep overgelegde verklaring van [naam tolk] kan de Raad niet die waarde toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Appellant heeft naar het oordeel van de Raad evenmin aannemelijk gemaakt dat hij uit medisch oogpunt niet in staat was om in de hier in geding zijnde periode werkzaamheden te verrichten. De door appellant overlegde verklaring van de arts F. Goos acht de Raad ontoereikend nu deze verklaring betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de periode in geding. Appellant heeft zijn stelling op dit punt niet met nadere concrete medische gegevens onderbouwd. De brief van het uitzendbureau d.d. 25 november 2002, waarin is aangegeven dat slechts uitzendkrachten in dienst worden genomen die beide handen en voeten kunnen gebruiken, kan evenmin zijn standpunt onderbouwen. Voorts heeft de gemachtigde van appellant ter zitting bevestigd dat appellant ook in de periode gelegen na zijn hersenbloeding nog werkzaamheden heeft verricht.

Gelet op het voorgaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat appellant in de in geding zijnde periode, zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde, werkzaamheden voor het uitzendbureau heeft verricht en daarvoor loon heeft ontvangen, waardoor gedaagde aan appellant ten onrechte een bedrag van f. 3.609,80 aan bijstand heeft verleend.

Een en ander leidt tot de slotsom dat gedaagde de uitkering van appellant over de periode van 19 februari 2001 tot en met 11 mei 2001 terecht heeft herzien.

De Raad ziet in het geval van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om van herziening van de bijstandsuitkering af te zien.

Met inachtneming van het vorenstaande concludeert de Raad vervolgens dat wat de terugvordering betreft is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Gedaagde was derhalve gehouden tot terugvordering van de te veel verleende bijstand. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de aan appellant opgelegde boete stelt de Raad voorop dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vaststaat dat appellant de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet is nagekomen.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging van appellant ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Voorts stelt de Raad vast dat het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand, zodat zich hier geen geval voordoet als bedoeld in artikel 14a, derde lid, van de Abw. Gedaagde was derhalve verplicht aan appellant een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin hij verkeert, de boete op een ander bedrag dan f. 450,-- zou moeten worden vastgesteld.

Ten slotte is de Raad niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2004.

(get.) A.B.J. van Ham.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x