Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR6812
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. De herziening van het recht op bijstand berust niet op een deugdelijke feitelijke grondslag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/4746 NABW en 03/4459 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], appellante, wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente s-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellante heeft mr. M.J. Smit, advocaat te s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 25 juli 2002, reg.nr. 01/4278 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Smit, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. N.U.I. Ruggenaath, werkzaam bij de gemeente s-Gravenhage.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 5 januari 1994 een bijstandsuitkering, aanvankelijk ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) en vanaf 24 april 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellante was, voorzover in dit geding van belang, in de periode van 1 maart 1995 tot 26 juni 1996 gehuwd met [naam partner]. Deze beschikt sedert 24 april 1996 over een vergunning tot verblijf in Nederland. Gedurende de periode tot 24 april 1996 ontving appellante een ABW-uitkering naar de norm voor een eenoudergezin; vanaf die datum ontving zij met [naam partner] een Abw-uitkering naar de norm voor gehuwden.
In de periode van - voorzover thans van belang - 16 februari 1998 tot 11 juli 1998 was appellante gehuwd met [ex-partner]. Deze was vanwege zijn aanspraak op studiefinanciering tot 1 juli 1998 niet in de bijstandsverlening aan appellante (naar de norm voor een alleenstaande ouder) betrokken. In de periode van 1 juli 1998 tot 11 juli 1998 ontving appellante met [naam ex-partner] een uitkering naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van een fraudemelding, afkomstig van de vreemdelingendienst, heeft de Afdeling bijzonder onderzoek van de gemeente s-Gravenhage onderzoeken ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkering. In dat kader zijn onder meer inlichtingen ingewonnen bij de werkgevers van [naam partner] en [naam ex-partner] en bij instanties als het ziekenfonds, en zijn waarnemingen verricht nabij de woning van appellante aan de [adres 1] te [woonplaats]. Op grond van de bevindingen van die onderzoeken, die zijn neergelegd in rapporten van 11 juni 1998, 1 oktober 1998 en 8 april 1999, heeft gedaagde geconcludeerd - voorzover in dit geding van belang - dat [naam partner] in de periode van 1 maart 1995 tot 26 juni 1996 werkzaamheden heeft verricht voor de [naam werkgever]. ([Naam werkgever]) en dat [naam ex-partner] in de periode van 16 februari 1998 tot 11 juli 1998 werkzaamheden heeft verricht voor Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] ([naam loodgietersbedrijf]), waarvan appellante aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan.

Bij besluit van 8 maart 2000 heeft gedaagde het recht van appellante op uitkering over de hiervoor vermelde tijdvakken herzien op de grond dat aan appellante tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Bij hetzelfde besluit heeft gedaagde de kosten van bijstand over deze tijdvakken van appellante teruggevorderd tot een bedrag van f 23.031,37.

Het tegen het besluit van 8 maart 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 19 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, het beroep van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd op de grond dat terugvordering over de periode van 1 tot 8 maart 1995 gelet op het bepaalde in artikel 61d van de ABW niet mogelijk is, en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Op 20 september 2002 heeft gedaagde, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is het bedrag van de terugvordering teruggebracht tot 10.371,20 (f 22.855,11).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het nieuwe besluit op bezwaar wordt door de Raad aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet aan het bezwaar van appellante tegemoet is gekomen, wordt het beroep met toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

De Raad stelt verder vast dat het besluit van 20 september 2002 geheel in de plaats is getreden van het door de rechtbank vernietigde besluit van 19 oktober 2001, zodat appellante geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ten aanzien van de in dit geding van belang zijnde bepalingen van de ABW en de Abw verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak waarin deze bepalingen, met vermelding van de van belang zijnde tijdvakken waarin zij golden, uitvoerig zijn weergegeven.

Uit het besluit van 20 september 2002 leidt de Raad af dat gedaagde de herziening van het recht van appellante op bijstand voor de periode voorafgaand aan 1 juli 1997 niet heeft gehandhaafd. Voor die periode is derhalve volstaan met handhaving van de terugvordering.



De terugvordering over de periode van 8 maart 1995 tot 26 juni 1996

Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat [naam partner] in deze periode voor de [naam werkgever] heeft gewerkt, aangezien de loonstroken zijn gesteld op naam van L. Kishoorkoemar. De Raad is evenals gedaagde van oordeel dat uit deze tenaamstelling (Kishoorkoemar is de voornaam van [naam partner]), de door de [naam werkgever] gebruikte adresgegevens (waaronder een adres van [naam partner] en het adres van appellante), de betalingsgegevens (waaronder het gironummer van een broer van [naam partner], wonende te [gemeenteplaats]) en de overige door deze werkgever aan gedaagde versterkte gegevens - dit alles in onderlinge samenhang bezien - moet worden afgeleid dat deze loongegevens [naam partner] betreffen. De door appellante overgelegde verklaring van de [naam werkgever] van 12 maart 2002, waarin is vermeld dat [naam partner] vanaf 27 maart 2000 tot heden werkzaamheden voor de [naam werkgever] heeft verricht, maakt dat niet anders. Met die verklaring is immers niet gezegd dat [naam partner] niet gedurende een eerder tijdvak voor deze werkgever heeft gewerkt. Voorts wijst de Raad in dit verband op de zich bij de stukken bevindende salarisstrook van de [naam werkgever] van 18 april 1998 over de periode van 23 maart 1998 tot en met 18 april 1998, die is gesteld op naam van L. Kishoorkoemar en geadresseerd aan het woonadres van appellante.

Vaststaat dat appellante aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan van deze werkzaamheden. Het gaat hier om een gegeven dat van belang is voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Daarmee heeft appellante de ingevolge - achtereenvolgens - artikel 30, tweede lid, van de ABW en artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij niet op de hoogte was van deze werkzaamheden kan daaraan niet afdoen. In deze periode was appellante gehuwd en samenwonend met [naam partner]. Volgens vaste rechtspraak kan de belanghebbende zich dan niet met vrucht beroepen op onbekendheid met activiteiten van de echtgenoot.

De hiervoor bedoelde schending heeft ertoe geleid dat aan appellante over deze periode tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van achtereenvolgens artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw. De Raad is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd kon worden geacht geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat gedaagde voldoende inzichtelijk heeft gemaakt aan de hand van welke gegevens en op welke wijze het bedrag van de terugvordering over deze periode is berekend en vastgesteld. Gedaagde heeft aangegeven welke maatstaf daarbij is gehanteerd voor de periode tot 24 april 1996, te weten een maatstaf overeenkomende met het bepaalde in artikel 50 van de Abw. Verder is in het nieuwe besluit op bezwaar (wederom) vermeld welke bijstandsnormen in de in geding zijnde periode van toepassing waren. Ten slotte blijkt uit het procesdossier dat reeds in de oorspronkelijke bezwaarfase uit de stukken kon worden opgemaakt met welke maandbedragen aan inkomsten van [naam partner] rekening is gehouden. Ten slotte betrekt de Raad hierbij de nadere toelichting op de (wijze van) berekening van het teruggevorderde bedrag over deze periode die gedaagde desgevraagd nog aan de Raad heeft verstrekt.



De herziening en de terugvordering over de periode van 16 februari 1998 tot 11 juli 1998

Naar het oordeel van de Raad moet op grond van de gedingstukken worden aangenomen dat [naam ex-partner] in het jaar 1998 voor [naam loodgietersbedrijf] werkzaamheden heeft verricht waarmee hij inkomsten heeft verworven. Verder staat vast dat appellante, die - zoals door haar in het aanvullend bezwaarschrift is aangegeven - in ieder geval ervan op de hoogte was dat [naam ex-partner] bij [naam loodgietersbedrijf] als stagiair werkte en daaruit enige inkomsten ontving, daarvan geen mededeling heeft gedaan aan gedaagde, waarmee zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Het herzieningsbesluit betreft in feite de maanden februari, maart en juli 1998, en is gebaseerd op een werkgeversverklaring van [naam loodgietersbedrijf] van 13 september 1999 omtrent de inkomsten van [naam ex-partner] in deze maanden.

Van de zijde van appellante is aangevoerd dat gedaagde om de volgende redenen niet van die verklaring had mogen uitgaan. In de verklaring wordt aangegeven dat [naam ex-partner] voor [naam loodgietersbedrijf] heeft gewerkt in de periode van 1 juli 1998 tot 10 september 1998 gedurende 20 uur per week. In de specificatie van de gewerkte tijdvakken en de daarbij behorende betalingen zijn echter, ten dele in afwijking van genoemde periode, als tijdvakken 1 tot en met 10 juli 1998 en de weken 8, 9 en 10 vermeld. Deze informatie komt voorts niet overeen met de in het kader van het onderzoek van de Afdeling bijzonder onderzoek van [naam loodgietersbedrijf] verkregen telefonische informatie dat [naam ex-partner] gedurende twee periodes van vier weken voor hem heeft gewerkt. Verder is niet aannemelijk de opgave in dezelfde specificatie dat [naam ex-partner] voor zijn werkzaamheden als leerling loodgieter zowel in week 8 als in week 9 van 1998 aan regulier loon een bedrag van f 1.351,63 netto heeft ontvangen.

Deze grief van appellante slaagt, waarbij de Raad nog aantekent dat [naam ex-partner] toen 21 jaar was en dat uit de bij het ziekenfonds opgevraagde informatie is gebleken dat [naam ex-partner] op 1 juli 1997 aldaar is ingeschreven als verzekerde werknemer van [naam loodgietersbedrijf]. Ook de Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde in het nieuwe besluit op bezwaar niet zonder meer van de verklaring van 13 september 1999 had mogen uitgaan. Deze verklaring had, gezien haar inhoud en gelet op de eerder verkregen telefonische gegevens van [naam loodgietersbedrijf], reeds aanstonds bij gedaagde vragen moeten oproepen. Gelet daarop en op de betwisting van de in die verklaring vermelde inkomsten in de bezwaarfase, en voorts in aanmerking genomen dat deze verklaring voor gedaagde bepalend was voor de handhaving van de herziening van het recht op bijstand, had het in dit geval op de weg van gedaagde gelegen om nader te onderzoeken of de in de verklaring opgenomen gegevens juist waren. De Raad betrekt daarbij dat gedaagde in dat opzicht meer instrumenten ter beschikking stonden dan appellante, aangezien gedaagde zonder machtiging van [naam ex-partner] de nadere inlichtingen had kunnen vragen bij [naam loodgietersbedrijf] en [naam loodgietersbedrijf] op grond van artikel 121 van de Abw verplicht was geweest ter zake opheldering te verschaffen. Voorts had gedaagde op grond van artikel 122 van de Abw het Gemeenschappelijk Administratiekantoor kunnen benaderen met het verzoek na te gaan gedurende welke perioden in 1998 [naam ex-partner] bij die instantie als werknemer van [naam loodgietersbedrijf] bekend was en welk loon voor hem was verantwoord.

De Raad komt tot de conclusie dat het besluit van 20 september 2002 wat de herziening van het recht op bijstand betreft niet berust op een deugdelijke feitelijke grondslag. Daarmee komt ook de grondslag te ontvallen aan het besluit van 20 september 2002 voorzover dat ziet op terugvordering van kosten van bijstand tot een bedrag van 10.371,20 van appellante. Het besluit van 20 september 2002 komt dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Gedaagde zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2000, met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 20 september 2002 gegrond;
Vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 644,--, te betalen door de gemeente s-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente s-Gravenhage aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van 82,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2004.
    
(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.J. van der Veen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x