Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR6857
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/4354 NABW, 02/4356 NABW, 02/4358 NABW en 03/2636 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beide wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten heeft mr. P. Oosting, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2002, reg.nr. SBR 01/2442. Voorts heeft mr. Oosting namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2002, reg.nr. SBR 01/1931 en 17 april 2003, reg.nr. SBR 02/1794.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 19 oktober 2004, waar voor appellanten is verschenen mr. Oosting en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt sedert 1 maart 1988 bijstand naar de norm voor een eenoudergezin.

Naar aanleiding van gegevens die naar voren zijn gekomen uit een op 27 november 2000 verricht heronderzoek, heeft gedaagde de betaling van de uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2001 geblokkeerd. De sociale recherche heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand en de bevindingen daarvan neergelegd in een rapport van 5 april 2001. Op grond daarvan heeft gedaagde geconcludeerd dat appellanten sedert 21 juni 1999 een gezamenlijke huishouding voeren in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante met ingang van 27 november 2000 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 27 november 2000 tot en met 31 december 2000 tot een bedrag van f 2.123,52 van appellante teruggevorderd.

Tegen het besluit van 6 februari 2001 is door appellante bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 10 april 2001 ongegrond is verklaard. Bij uitspraak van 24 juli 2002 heeft de rechtbank onder meer het tegen het besluit van 10 april 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaald dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van laatstgenoemde uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 6 augustus 2002 het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2001 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft de terugvordering als neergelegd in het besluit van 6 februari 2001 gehandhaafd en daarbij nader het standpunt ingenomen dat appellanten in het betrokken tijdvak een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw, aangezien uit hun relatie kinderen zijn geboren, die door appellant zijn erkend en appellanten hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.

Bij de aangevallen uitspraak, reg.nr. SBR 02/1794, heeft de rechtbank het namens appellante tegen het besluit van 6 augustus 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft gedaagde het recht op uitkering van appellante over de periode van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 ingetrokken op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw voerden. Voorts heeft gedaagde de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 tot een bedrag van f 41.539,08 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 20 augustus 2001 heeft gedaagde de kosten van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 tot een bedrag van f 41.539,08 mede van appellant teruggevorderd op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw.

Bij besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde de namens appellanten tegen de besluiten van 20 augustus 2001 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, reg.nr. SBR 01/2442, heeft de rechtbank het namens appellanten tegen het besluit van 20 november 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 25 april 2001 heeft gedaagde de aanvraag van appellante van 2 februari 2001 om bijstand afgewezen op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren in de zin van de Abw. Voorts heeft gedaagde de gedurende de periode van 2 tot en met 28 februari 2001 met toepassing van artikel 74 van de Abw verleende voorschotten van in totaal f. 1.500,-- op grond van artikel 80 van de Abw van appellante teruggevorderd. Gedaagde heeft ten slotte bij dat besluit aan appellante meegedeeld dat gelet op het besluit van 2 (lees: 6) februari 2001 nog een schuld openstaat van f 1.509,66.

Bij besluit van 17 mei 2001 heeft gedaagde de aanvraag om bijstand van appellante van 20 april 2001 onder verwijzing naar zijn besluit van 25 april 2001 afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Bij besluit 10 september 2001 heeft gedaagde het namens appellante tegen het besluit van 25 april 2001 gemaakte bezwaar met betrekking tot de terugvordering van de schuld van f 1.509,66 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2001 voor het overige, alsmede het namens appellante tegen het besluit van 17 mei 2001 gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, reg.nr. SBR 01/1931, heeft de rechtbank - met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten - het besluit van 10 september 2001 vernietigd, voorzover het betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar gericht tegen de terugvordering van het bedrag van f 1.509,66. De rechtbank komt tot de conclusie dat gedaagde ten onrechte heeft gesteld dat appellante de termijn voor het indienen van bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2001 heeft overschreden. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven, aangezien over de in geding zijnde vordering reeds eerder een besluit is afgegeven en dat derhalve in het besluit van 25 april 2001 slechts sprake is van een mededeling van een schuld. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 10 september 2001 voor het overige ongegrond verklaard.

Appellanten zijn tegen de aangevallen uitspraken gemotiveerd in hoger beroep gekomen voorzover zij in het ongelijk zijn gesteld.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Namens appellante is allereerst de grief van formele aard aangevoerd dat zij ten onrechte voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar van 6 augustus 2002 niet opnieuw is gehoord. De Raad kan appellante hierin niet volgen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2003, onder meer gepubliceerd in USZ 2003/145, houdt artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet een algemene verplichting in tot het opnieuw horen van een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank waarbij de eerdere beslissing op het bezwaar is vernietigd. Dat neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, reg.nr. SBR 02/1794, heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat een zodanige situatie zich in dit geval niet voordoet. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante gezien de diverse procedures verschillende malen door gedaagde is gehoord met betrekking tot het samenstel van feiten en omstandigheden, dat ook aan het nieuw genomen besluit op bezwaar ten grondslag ligt.

Met betrekking tot het geschil ten gronde stelt de Raad gelet op de inhoud van het hoger beroep en het verhandelde ter zitting vast dat in geding zijn:
- de intrekking van de bijstandsuitkering van appellante over de tijdvakken van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 en van 27 november 2000 tot 2 februari 2001;
- de terugvordering van appellante van de kosten van de aan haar verleende bijstand over de periode van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 en van 27 november 2000 tot en met 31 december 2000;
-de terugvordering van appellant van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000;
- de afwijzing van de aanvraag van 2 februari 2001;
-de terugvordering van de gedurende de periode van 2 tot en met 28 februari 2001 verleende voorschotten;
-de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2001, voorzover het betreft de schuld van f 1.509,66;
- de afwijzing van de aanvraag van 20 april 2001.



De intrekking en de afwijzing van de aanvragen van 2 februari 2001 en 20 april 2001

Gedaagde heeft aan zijn besluiten tot intrekking van het recht op bijstand van appellante over de tijdvakken van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 en van 27 november 2000 tot 2 februari 2001 en aan zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag van 2 februari 2001 ten grondslag gelegd dat appellanten sedert 21 juni 1999 een gezamenlijke huishouding voeren in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, is, gelet op evenvermelde bepaling, voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding slechts van betekenis of appellanten in de periode hier in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten ten tijde hier in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Hij onderschrijft daarbij in hoofdzaak de daartoe door de rechtbank in de aangevallen uitspraken gehanteerde overwegingen. Daarmee staat vast dat ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellanten in de zin van de Abw.

Namens appellanten is naar voren gebracht dat het verhoor door de sociale recherche niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Allereerst hebben zij aangevoerd dat zij niet zijn gewezen op hun recht om geen verklaring af te leggen. De Raad kan appellanten daarin niet volgen. Het in artikel 14b, eerste lid, van de Abw neergelegde zwijgrecht heeft alleen betrekking op informatie die van belang is voor het boeteonderzoek, waarvan in casu geen sprake is. Het ontslaat appellanten niet van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde verplichting informatie te verschaffen die van belang is voor het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat met betrekking tot het verhoor van appellant sprake is van een ontoelaatbare druk. Wat daarvan zij, naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksresultaten ook zonder de verklaring van appellant voldoende steun voor gedaagdes standpunt dat ten tijde hier in geding sprake is van een hoofdverblijf in dezelfde woning.

Hetgeen namens appellanten overigens in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot het (niet) hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf, vormt een herhaling van de in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen en die stellingen zijn, zoals uit het voorgaande moet worden geconcludeerd, door de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen.

Door van de gezamenlijke huishouding bij gedaagde geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Appellante kon derhalve ten tijde hier van belang niet langer als een zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een eenoudergezin. Gedaagde was dan ook gehouden om tot intrekking van het recht op bijstand van appellante over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is de Raad tevens van oordeel dat gedaagde op grond van de onderzoeksbevindingen terecht de aanvraag van appellante van 2 februari 2001 om uitkering heeft afgewezen.

Aangezien appellante voorts aan haar aanvraag van 20 april 2001 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, doch uitsluitend heeft ontkend dat zij met appellant samenwoont, heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht met verwijzing naar zijn besluit van 25 april 2001 de aanvraag van 20 april 2001 van appellante om uitkering afgewezen.



De terugvordering

Met hetgeen hiervoor is overwogen, is gegeven dat wat de terugvordering betreft ten aanzien van appellante over de tijdvakken van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 en van 27 november 2000 tot en met 31 december 2000 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw en ten aanzien van appellant over het tijdvak van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellante over de periode van 21 juni 1999 tot en met 31 december 2000 en van appellant over de periode van 21 juni 1999 tot en met 26 november 2000 over te gaan.

Nu voorts de aanvraag van 2 februari 2001 terecht is afgewezen, is gedaagde gehouden op grond van artikel 80 van de Abw de aan appellante op grond van artikel 74 van de Abw gedurende de periode van 2 tot en met 28 februari 2001 verleende voorschotten terug te vorderen.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.

Hetgeen namens appellanten ter zitting in hoger beroep is aangevoerd ten betoge dat de terugvordering een ‘criminal charge’ oplevert in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, kan evenmin tot de conclusie leiden dat gedaagde geheel of ten dele van terugvordering had dienen af te zien. De Raad volstaat hier met erop te wijzen dat een besluit tot terugvordering reparatoir van aard is en anders dan een straf of boete niet op leedtoevoeging is gericht.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2001, voorzover het betreft de schuld van f 1.509,66

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat ten aanzien van de in geding zijnde vordering reeds eerder een besluit is afgegeven en dat in gedaagdes besluit van 25 april 2001 derhalve slechts sprake is van een mededeling omtrent die schuld. Die mededeling is niet gericht op enig rechtsgevolg, zodat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Appellante is derhalve in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen het besluit van 25 april 2001.



Slotoverwegingen

De aangevallen uitspraken dienen, voorzover aangevochten, in stand te blijven.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken, reg.nrs. SBR 01/2442 en SBR 02/1794;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, reg.nr. SBR 01/1931, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2004.

(get) R.H.M. Roelofs

(get) R. van den Munckhof




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x