Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR8461
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Beëindiging van de bijstand wegens hogere inkomsten uit handel in vogels dan opgegeven. Schending van de inlichtingenverplichting. Weigering bijzondere bijstand voor reiskosten en kosten van rechtshulp en een bril.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/5155 NABW, 02/5237 NABW, 03/6028 NABW en 03/6029 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten hebben mr. B.N. Kloostra en mr. F.H.A. Alberda, beiden advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 2 september 2002, reg.nrs. 02/115 ABW en 02/695 ABW, respectievelijk van de rechtbank Leeuwarden van 30 oktober 2003, reg.nr. 02/197 ABW.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 16 november 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I. van der Meer, kantoorgenoot van mr. Kloostra en mr. Alberda, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente Dongeradeel.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 6 maart 2001 is aan appellanten vanaf 6 december 2000 een uitkering ingevolge de Abw (Algemene bijstandswet) toegekend naar de norm voor gehuwden, waarop een verlaging van 10% is toegepast wegen het kunnen delen van kosten. Daarbij is aan appellanten onder voorwaarden toestemming verleend om met behoud van uitkering semi-zelfstandige activiteiten te verrichten. Naar aanleiding van een controle van de douane op 4 januari 2001 waardoor bij gedaagde het vermoeden rees dat appellanten meer inkomsten uit de handel in vogels ontvingen dan door hen op de rechtmatigheidsonderzoekformulieren was aangegeven, heeft het Buro Sociale Recherche een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte uitkering. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 2001, heeft gedaagde bij besluit van 17 juli 2001 de uitkering van appellanten met ingang van 1 juli 2001 beëindigd op de grond, voorzover in dit geding van belang, dat appellanten onvoldoende en onjuiste informatie hebben verstrekt over de hoogte van hun inkomsten waardoor niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren.

Gedaagde heeft het tegen het besluit van 17 juli 2001 gemaakte bezwaar bij besluit van 8 januari 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2002 heeft de voorzieningenrechter onder meer het beroep tegen het besluit van 8 januari 2002 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben op 30 mei 2001 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in de kosten voor rechtshulp en een bril en voor reiskosten. Bij besluit van 27 juli 2001 heeft gedaagde deze aanvraag met betrekking tot de kosten voor een bril en rechtshulp afgewezen op de grond, voorzover thans van belang, dat appellanten onvoldoende en onjuiste informatie hebben verstrekt over de hoogte van hun inkomsten waardoor niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren.

Gedaagde heeft het tegen het besluit van 27 juli 2001 gemaakte bezwaar bij besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard, waarbij in bezwaar eveneens de aanvraag om bijstand in de reiskosten op dezelfde grond werd afgewezen.

Bij uitspraak van 30 oktober 2003 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben deze uitspraken in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het standpunt van gedaagde dat appellanten onvoldoende en onjuiste informatie hebben verstrekt over de omvang van hun werkzaamheden en de hoogte van hun inkomsten waardoor niet kan worden vastgesteld of zij op 1 juli 2001 in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren, is gebaseerd op de inhoud van een brief van douaneambtenaar O.A. Droppers ( hierna: Droppers) aan de Belastingdienst van 19 januari 2001, de inhoud van een brief van de douaneambtenaren Droppers en J.G. Hartgers aan de Belastingdienst van 31 mei 2002, een op 30 mei 2002 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring van getuige F.L. [getuige] (hiena: [getuige]) en een op 18 juni 2001 bij het Buro Sociale Recherche binnengekomen anonieme tip dat appellant nog steeds actief was als vogelhandelaar.

Uit de brieven van de douaneambtenaren van 19 januari 2001 en 31 mei 2002 leidt de Raad af dat appellanten weliswaar op 4 januari 2001 betrokken waren bij handel in vogels, doch de Raad leidt daaruit niet af en acht ook overigens onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig voor de conclusie dat appellanten op of omstreeks 1 juli 2001 over de omvang van de handel in vogels en inkomsten daaruit onjuiste informatie hebben verstrekt. De Raad acht daarbij van belang dat appellanten eenduidig zijn geweest in hun verklaringen ter zake en dat die informatie overeenkomt met de door hen overgelegde overzichten van inkomsten en uitgaven over de periode van januari 2001 tot en met juni 2001. Verder hebben appellanten de verklaring van [getuige] van 30 mei 2002 waarin hij stelt dat hij na de controle in januari 2001 meerdere keren vogels van appellant heeft gekocht, zowel op markten als daarbuiten, deels weten te weerleggen door middel van verklaringen van betrokkenen bij door [getuige] en appellant genoemde vogelmarkten in onder meer Meppel en Zwolle, erop neerkomend dat appellanten ten tijde in geding niet op die markten handelden. Voorts heeft [getuige] zowel vóór als na het afleggen van de verklaring op 30 mei 2002 daarvan afwijkende verklaringen afgelegd, waardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaring van 30 mei 2002 kan worden getwijfeld. Ten slotte ontbreekt elk ondersteunend bewijs voor het standpunt van gedaagde. De op 18 juni 2001 bij het Buro Sociale Recherche binnengekomen anonieme tip moet als zodanig als onvoldoende worden bestempeld.

Dat betekent dat het besluit van 8 januari 2002, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op een onjuiste feitelijke grondslag berust. Voor het besluit van 15 januari 2002 geldt dit eveneens, nu dit besluit dezelfde grondslag heeft.

De voorzieningenrechter en de rechtbank hebben het voorgaande niet onderkend, zodat bij de aangevallen uitspraken ten onrechte de beroepen tegen de besluiten van 8 januari 2002 en 15 januari 2002 ongegrond zijn verklaard. De Raad zal de aangevallen uitspraken vernietigen en doende wat de rechtbank had behoren te doen de beroepen gegrond verklaren, de besluiten van 8 januari 2002 en 15 januari 2002 vernietigen en gedaagde opdragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen bij deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. De Raad is, gelet op de inhoud van de door de gemachtigden van appellanten ingediende beroepschriften in beroep en hoger beroep, met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand van oordeel dat hierbij een wegingsfactor van 0,5 moet worden gehanteerd. Derhalve worden de proceskosten begroot op € 1.127,-- in beroep, zijnde € 322,-- (1 punt) x 3,5 en op € 805,-- in hoger beroep, zijnde € 322,-- x 2,5, voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken, voorzover aangevochten;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 8 januari 2002 en 15 januari 2002 ;
Bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.932,-- te betalen door de gemeente Dongeradeel aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Dongeradeel aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal € 227,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2004.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x