Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS2268
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand omdat betrokkene in het bezit is van sieraden en munten en beschikt over een vermogen dat het voor haar geldende vrij te laten bescheiden vermogen overtreft. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/1860 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 maart 2003, reg.nr. 02/926.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 november 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hapert en [partner], en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving ten tijde van belang een bijstandsuitkering. Deze uitkering was over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1997 berekend naar de norm voor gehuwden en over de periode vanaf 1 september 1997 tot en met 22 december 1997 naar de norm voor een alleenstaande ouder. De uitkering was eerst op de op de Algemene Bijstandswet (ABW) berustende Rijksgroepsregeling werkloze werknemers gebaseerd en vanaf 4 december 1996 op de Algemene bijstandswet (Abw). Appellante is van 26 oktober 1987 tot 5 augustus 1993 gehuwd geweest met [partner] en heeft na ontbinding van het huwelijk met [partner] een gezamenlijke huishouding gevoerd, onder meer over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1997 en vanaf 21 oktober 1999.

Naar aanleiding van door de Regiopolitie Gelderland Midden (verder: politie) ontvangen informatie dat appellante en [partner] een grote hoeveelheid sieraden bezaten, heeft de Sociale Recherche regio Zuid/West Utrecht en Vianen (verder: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en aan [partner] toegekende uitkeringen. In dat kader is gebruik gemaakt van de resultaten van een onderzoek door de politie naar de betrokkenheid van [partner] bij een aantal strafbare feiten. Van de bevindingen van het door de sociale recherche ingestelde onderzoek is verslag gedaan in een rapport van 2 juli 2001.

De resultaten van het door de sociale recherche ingestelde onderzoek hebben gedaagde aanleiding gegeven om bij besluit van 5 juli 2001 de aan appellante toegekende bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1994 tot en met 22 december 1997 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw in te trekken en de over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 22 december 1997 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 46.802,-- bruto met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw terug te vorderen. Gedaagde heeft zijn besluit gebaseerd op het standpunt dat, gelet op het feit dat appellante sinds 1994 in het bezit was van sieraden en munten met een aanschafwaarde van f 135.010,--, zij gedurende de periode van 1 januari 1994 tot en met 22 december 1997 heeft beschikt over een vermogen dat het voor haar geldende vrij te laten bescheiden vermogen overtrof.

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het besluit van 25 maart 2002, voorzover daarbij de uitkering van appellante over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1997 is ingetrokken, vernietigd en het beroep in zoverre gegrond verklaard, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 25 maart 2002 geheel in stand blijven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat gedaagde de intrekking over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1997 ten onrechte op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw heeft gebaseerd, maar dat met inachtneming van de juiste bepalingen de intrekking over de gehele periode in geding niettemin gerechtvaardigd is.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover in die uitspraak het beroep ongegrond is verklaard en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 25 maart 2002 in stand zijn gelaten. Daarbij is onder meer aangevoerd dat gedaagde geen gebruik had mogen maken van gegevens uit een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [partner] aangezien het hier gaat om onrechtmatig verkregen bewijs, dat gedaagde appellante ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze naar voren te brengen alvorens bij besluit van 5 juli 2001 tot intrekking en terugvordering over te gaan, dat de sieraden en de munten ten onrechte tot het vermogen van appellante zijn gerekend, dat appellante door de strafrechter is vrijgesproken van de haar ten laste gelegde valsheid in geschrifte en dat gedaagde op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw van terugvordering had moeten afzien.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De grief dat ten onrechte gebruik is gemaakt van informatie uit het strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [partner], slaagt niet. Nog daargelaten of in dit geval sprake is van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, is het gebruik van bewijsmiddelen volgens vaste rechtspraak (zie onder meer ’s Raads uitspraak van 29 januari 2001, gepubliceerd in USZ 2002/108) slechts dan niet toegestaan, indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is hier naar het oordeel van de Raad geen sprake.

De Raad volgt appellante evenmin in haar stelling dat gedaagde haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze naar voren te brengen alvorens bij besluit van 5 juli 2001 tot intrekking en terugvordering over te gaan. De Raad merkt in dit verband op dat gedaagde bij een besluit van financiële aard als het onderhavige op grond van artikel 4:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd is van toepassing van artikel 4:8 van de Awb af te zien. De Raad acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat gedaagde in het geval van appellante op grond van ongeschreven recht tot het horen van appellante gehouden was.

Aansluitend overweegt de Raad het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad is, gelet op het rapport van de sociale recherche van 2 juli 2001, voldoende komen vast te staan dat appellante en [partner] gedurende de periode in geding (1 januari 1994 tot en met 22 december 1997) een bankkluis hebben gehuurd en dat alleen appellante en [partner] toegang hadden tot die bankkluis, dat zich in die bankkluis gedurende de periode in geding sieraden en munten hebben bevonden en dat die sieraden en munten niet toebehoorden aan [partner].

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het feit dat een persoon een bankkluis huurt en alleen die persoon tot die bankkluis toegang heeft de veronderstelling rechtvaardigt dat de goederen die zich in die bankkluis bevinden bestanddelen vormen van het vermogen van die persoon waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Gelet op het feit dat de sieraden en de munten in de door appellante en [partner] gehuurde bankkluis niet aan [partner] toebehoorden, is in dit geval de veronderstelling gerechtvaardigd dat die sieraden en munten bestanddelen vormden van het vermogen waarover appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. In een dergelijke situatie is het aan appellante om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. Appellante heeft in bezwaar een door diverse familieleden ondertekende verklaring overgelegd, doch deze achteraf opgestelde verklaring toont onvoldoende aan dat de sieraden en munten niet aan appellante maar in onverdeelde mede-eigendom aan de leden van de familie [naam familie] toebehoorden en dat de sieraden en munten aan appellante en [partner] in bewaring waren gegeven. Dat de sieraden en munten aan appellante toebehoorden vindt bevestiging in het feit dat in enkele van die sieraden de voorletter en de achternaam van appellante waren gegraveerd.

Appellante heeft aangevoerd dat de sieraden en de munten worden gebruikt bij bepaalde familieplechtigheden en dat zij daarom op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw niet als vermogen in aanmerking mogen worden genomen. De Raad merkt in dit verband op dat blijkens een proces-verbaal van 4 april 2001 de aanschafwaarde van de sieraden en de munten door een deskundige op f 135.010,-- is getaxeerd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat met name de zeer aanzienlijke waarde van de sieraden en munten een beletsel vormt om de ze bij de vaststelling van het vermogen buiten aanmerking te laten.

Appellante heeft van het feit dat zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de betreffende sieraden en munten aan gedaagde geen mededeling gedaan. Appellante is derhalve gedurende de periode in geding de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk 65, eerste lid, van de Abw (tekst vóór en na 1 juli 1997) op haar rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen.

De omstandigheid dat de strafrechter appellante van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Nu tussen partijen niet in geschil is en ook voor de Raad, gelet op de gedingstukken en met name het reeds eerder genoemde proces-verbaal van 4 april 2001, voldoende is komen vast te staan dat de waarde van de sieraden en munten gedurende de gehele periode in geding het bedrag van het voor appellante geldende vrij te laten bescheiden vermogen heeft overtroffen, is aan appellante als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting over de periode in geding ten onrechte bijstand verleend. Dit brengt mee dat intrekking van de aan appellante toegekende uitkering over het tijdvak van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1997 gerechtvaardigd was en voorts dat gedaagde met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden was om de haar over de periode van 1 juli 1997 tot en met 22 december 1997 toegekende uitkering in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, (tekst vóór en na 1 juli 1997) van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 22 december 1997 over te gaan.

De grief van appellante dat gedaagde in de persoonlijke omstandigheden van appellante en haar familie aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, treft geen doel. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van zodanige consequenties is de Raad in dit geval niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2004.

(get.) R.M. van Male.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x