Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS3307
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Beëindiging en herziening van de bijstand op de grond dat betrokkene per datum in geding recht heeft op alimentatie ten behoeve van haar vier kinderen tot een bedrag van f 450,-- per kind per maand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/3874 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. G. Beek-Bokkinga, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2002, reg.nr. 01/3843 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Beek-Bokkinga, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door T. Kok, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.





II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van de rechtbank van 5 februari 1997 is de echtscheiding uitgesproken tussen appellante en [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]). Appellante ontving laatstelijk sedert 11 januari 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op verzoek van appellante heeft de rechtbank bij beschikking 10 mei 2000 bepaald dat [echtgenoot] met ingang van 22 februari 2000 aan appellante als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun vier kinderen f 450,-- per kind per maand zal betalen.
Tijdens een heronderzoek op 4 september 2000 heeft appellante aan gedaagde meegedeeld per 1 september 2000 niet langer aanspraak te maken op een bijstandsuitkering in verband met werkaanvaarding en ontvangst van kinderalimentatie per die datum. Bij brief van 19 september 2000 heeft gedaagde aan appellante bericht dat de betaling van de bijstandsuitkering met ingang van 1 september 2000 is stopgezet en heeft haar verzocht de alimentatiebeschikking van de rechtbank over te leggen. Dit verzoek is herhaald bij brief van 5 oktober 2000. Op 24 december 2000 heeft appellante de bovenvermelde beschikking van 10 mei 2000 overgelegd onder bijvoeging van een door appellante en [echtgenoot] ondertekende (ongedateerde) overeenkomst, onder meer inhoudende ”dat per 1 september 2000 de huwelijkse schulden zijn afbetaald door de vader zodat er vanaf die datum ruimte is voor de vader om aan de moeder te betalen f 450,-- per kind per maand, te verhogen met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1: 402a BW, voor het eerst per 1 januari 2001.”

Bij besluit van 28 februari 2001 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 september 2000 beëindigd en het recht op bijstand van appellante over de periode van 22 februari 2000 tot 1 september 2000 herzien op de grond dat zij per die datum recht heeft op alimentatie ten behoeve van haar vier kinderen tot een bedrag van f 450,-- per kind per maand. Tegen dit besluit is door appellante bij brief van 13 maart 2001 bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 19 maart 2001 heeft gedaagde over de periode van 22 februari 2000 tot 1 september 2000 wegens gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd een bedrag van f 12.636,48 op de grond dat appellante heeft nagelaten aan gedaagde te melden dat zij vanaf 22 februari 2000 recht had op kinderalimentatie voor vier kinderen van in totaal f 1.800,-- per maand.

Bij besluit van 18 september 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 28 februari 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde de herziening nader gebaseerd op het standpunt dat appellante sedert 22 februari 2000 redelijkerwijs kon beschikken over middelen in de vorm van inkomsten uit (kinder)alimentatie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 september 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat zij over de periode van 22 februari 2000 tot 1 september 2000 niet over kinderalimentatie kon beschikken, dat het van meet af aan de bedoeling was om de ingangsdatum van de kinderalimentatie op 1 september 2000 te stellen en dat [echtgenoot] tot 1 september 2000 niet in staat was een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de kinderen vanwege aflossingsverplichtingen op (diens aandeel in de) huwelijkse schulden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan onder meer uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde in geding niet feitelijk heeft beschikt over kinderalimentatie. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante onweersproken heeft gesteld dat de op 29 augustus 2000 op haar bankrekening overgemaakte kinderalimentatie betrekking had op de maand september 2000.
Anders dan gedaagde en de rechtbank oordeelt de Raad dat evenmin voldoende is komen vast te staan dat appellante ten tijde in geding redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over kinderalimentatie. Weliswaar heeft de rechtbank bij (verstek)beschikking van 10 mei 2000 bepaald dat de man met ingang van 22 februari 2000 f 450,-- per kind per maand zal gaan betalen, maar in dat verband kan er niet aan worden voorbijgezien dat appellante en [echtgenoot] (kennelijk nadien) een overeenkomst hebben afgesloten ter nadere bepaling van de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Onder die omstandigheden, en gelet op de door appellante gestelde betalingsonmacht van [echtgenoot], kan naar het oordeel van de Raad niet zonder meer staande worden gehouden dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over inkomsten uit kinderalimentatie. Dit betekent dat het besluit van 18 september 2001 niet op een deugdelijke motivering berust, zodat het wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien burgemeester en wethouders, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening en intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, (...), heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. (...)

De Raad stelt voorop dat appellante door aan gedaagde niet onverwijld mededeling te doen van de alimentatiebeschikking van 10 mei 2000 de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden. Daarmee is gedaagde tevens de mogelijkheid onthouden reeds toen een nader onderzoek in te stellen naar (de omvang van) het recht op bijstand van appellante alsmede om reeds toen overeenkomstig het bepaalde in artikel 96 van de Abw over te gaan tot verhaal op de onderhoudsplichtige [echtgenoot]. De enkele stelling dat de gemeente via de Stichting Balans op de hoogte zou zijn van de financiële situatie van [echtgenoot] kan hier niet aan afdoen, omdat - wat daarvan zij en daargelaten dat het volgens de gemachtigde van gedaagde een andere afdeling betreft - zulks onverlet laat dat appellante gehouden is zelf de nodige informatie aan gedaagde te verstrekken op de voorgeschreven wijze via de maandelijkse inlichtingenformulieren of anderszins. De Raad merkt daarbij nog op dat het hier gegevens betreft waarvan het belang voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening evident is.

De Raad stelt voorts vast dat appellante ondanks de voorhanden zijnde alimentatiebeschikking niet tot inning van de kinderalimentatie is overgegaan en terzake met [echtgenoot] een nadere overeenkomst heeft gesloten omtrent de ingangsdatum van de alimentatie. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante aldus voor de toepassing van de Abw een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan aan de dag gelegd, hetgeen als een maatregelwaardige gedraging in de zin van artikel 14, eerste lid, van de Abw is aan te merken. De Raad komt temeer tot die vaststelling nu appellante ter zitting heeft verklaard dat de huwelijkse schulden bij helfte tussen appellante en [echtgenoot] zijn verdeeld en appellante ten tijde in geding haar deel reeds geheel had afgelost.

De schending van de inlichtingenverplichting en het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid hebben ertoe geleid dat aan appellante over de periode vanaf 10 mei 2000 tot 1 september 2000 ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft er naar het oordeel van de Raad daarnaast toe geleid dat ook over de periode vanaf 22 februari 2000 tot 10 mei 2000 ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Die maatregelwaardige gedraging heeft immers tot gevolg gehad dat appellante naderhand niet heeft beschikt of heeft kunnen beschikken over de kinderalimentatie over laatstgenoemde periode, waarmee gedaagde tevens de mogelijkheid werd ontnomen om met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw de kosten van bijstand over die periode van appellante terug te vorderen. Het voorgaande brengt mee dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over de gehele in geding zijnde periode. In aanmerking genomen dat het in de rede ligt bij de (omvang van de) herziening aansluiting te zoeken bij de bedragen waarop appellante ingevolge de beschikking van de rechtbank van 10 mei 2000 uit hoofde van kinderalimentatie aanspraak kon maken, is gedaagde derhalve terecht tot herziening van het recht op bijstand van appellante overgegaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien is de Raad niet gebleken.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 september 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- , te betalen door de gemeente Amstelveen;
Bepaalt dat de gemeente Amstelveen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2005 .

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x