Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS5698
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing aanvraag voor bedrijfskrediet voor de overname van een shoarmazaak annex grillroom. Niet-levensvatbaar bedrijf.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/6107 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. J.D. Boetje, advocaat te ís-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 22 oktober 2002, reg.nr. 02/59 BZ.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Boetje, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ís-Gravenhage.




II. MOTIVERING


Aan appellant is op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 19 februari 1998 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft op 10 maart 2000 bedrijfskapitaal en bijstand voor levensonderhoud aangevraagd op grond van het op de Abw berustende Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Appellant wilde een shoarmazaak beginnen in Heino (Overijssel). Bij besluit van 3 juli 2000 is deze aanvraag afgewezen omdat de optie op het pand in Heino was komen te vervallen, alsmede omdat een goed onderbouwd ondernemingsplan ontbrak. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Nadat appellant had gemeld dat hij in [gemeentenaam] de shoarmazaak annex grillroom ([naam shoarmazaak]) van zijn neef [naam neef] wilde overnemen en hij met het oog daarop had verzocht om verstrekking van een bedrijfskrediet van f 60.000,--, heeft gedaagde het IMK Intermediair (hierna: IMK) op 20 oktober 2000 om advies gevraagd. Het IMK heeft op 28 november 2000 van verslag en advies gediend. In het advies is geconcludeerd dat sprake is van een niet levensvatbaar bedrijf. Daartoe is overwogen dat het bedrijf niet rechtmatig is gevestigd aangezien het gemeentelijk beleid inzake sluitingstijden niet wordt gevolgd, alsmede omdat het niet is toegestaan in dit type van bedrijf twee gokautomaten opgesteld te hebben staan. Voorts is overwogen dat de ondernemerscapaciteiten van appellant onvoldoende worden geacht en dat de financiŽle prognose aantoont dat er onvoldoende omzet behaald kan worden om aan de financiŽle verplichtingen te kunnen voldoen. De aflossingscapaciteit is volgens het IMK onvoldoende. Overname van [naam shoarmazaak] is appellant ontraden en hem is het advies gegeven een cursus inzake zelfstandig ondernemerschap te gaan volgen.

Gedaagde heeft in dit advies aanleiding gevonden om de aanvraag bij besluit van 13 december 2000 af te wijzen.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 9 november 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 9 november 2001 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat gedaagde zich op het rapport van het IMK heeft mogen baseren. Niet gebleken is dat dit rapport onzorgvuldig is voorbereid of dat de inhoud zodanige gebreken vertoont dat gedaagde dit advies niet had mogen volgen. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat appellant niet dezelfde resultaten zal boeken als zijn neef. Zij heeft voorts in aanmerking genomen dat appellant aanbevelingen in een IMK-advies van 14 juni 2000, uitgebracht naar aanleiding van de aanvraag van 10 maart 2000, niet ter harte heeft genomen.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Aangevoerd is - kort weergegeven - dat [naam shoarmazaak] in 2000 en 2001 gebleken is levensvatbaar te zijn en dat het oordeel dat appellant over onvoldoende ondernemerscapaciteiten beschikt onvoldoende is onderbouwd.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz wordt onder levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep verstaan: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.

Naar vaste rechtspraak is een bijstandverlenend orgaan in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad acht in dit geval geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Niets wijst erop dat het onderzoek van het IMK onzorgvuldig is geweest of dat de conclusies niet gedragen kunnen worden door de bevindingen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat vanwege appellant geen contra-expertise is ingebracht waaruit twijfel kan worden ontleend met betrekking tot de juistheid van de bevindingen en conclusies van het IMK. Zodanige twijfel kan niet worden ontleend aan het gegeven dat een andere ondernemer dan appellant in de periode nŠ de in geding zijnde peildatum van 13 december 2000 (datum primair besluit) mogelijk positieve bedrijfsresultaten heeft behaald.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x