Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS5922
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn aan betrokkene terecht de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw opgelegd? Er is geen sprake van geregelde oppassing en verzorging door betrokkene ten behoeve van haar echtgenoot.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1862 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E.M. Pommé, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Zuid-Oost Nederland, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2003, reg.nr. 02/324 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Pommé heeft bij brief van 7 augustus 2003 een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellante en haar gemachtigde - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W. Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellante de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) opgelegd. Gedaagde heeft zich daarbij gebaseerd op twee adviezen van 3 februari 2001 van de arts H.L.G. ter Waarbeek, werkzaam bij de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD). Blijkens die adviezen is appellante, rekening houdend met de verzorgingsbehoeftigheid van haar echtgenoot en haar klachten, arbeidsgeschikt geacht met beperkingen.

Bij besluit van 22 januari 2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 9 oktober 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 22 januari 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 113, eerste lid, van de Abw zijn de verplichtingen opgenomen welke gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige bestaansvoorziening is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Artikel 107, eerste lid, van de Abw biedt de mogelijkheid de verplichtingen als bedoeld in dit hoofdstuk niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om reden gelegen in de aard en het doel van de bijstand.

De Raad is van oordeel dat gedaagde zijn besluit om appellante de in artikel 113, eerste lid, van de Abw vervatte verplichtingen op te leggen heeft kunnen en mogen baseren op de adviezen van de GGD van 3 februari 2001. Blijkens deze adviezen zijn appellante en haar echtgenoot op 23 oktober 2000 op het spreekuur van de GGD geweest en is bij de huisarts informatie ingewonnen. De Raad is niet gebleken dat deze adviezen van de GGD wat hun inhoud betreft niet deugdelijk zijn. Uit het advies, dat met betrekking tot de echtgenoot van appellante is uitgebracht, leidt de Raad af dat zijn beperkingen niet zodanig ernstig zijn dat hij ten tijde hier van belang aangewezen was op geregelde oppassing en verzorging door appellante. De bij brief van 7 augustus 2003 overgelegde verklaring van de huisarts van appellante biedt onvoldoende aanknopingspunten om ter zake anders te oordelen.

Voor het benoemen van een deskundige bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x