Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS7891
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit hennepteelt. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/553 NABW en 03/554 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. G.M. Winther-Meijers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 16 december 2002, reg.nr. 02/521 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2005, waar voor appellanten is verschenen mr. Winther-Meijers, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door D. van Galen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 20 mei 2001 en 10 augustus 2001, omstreeks 6.35 uur, heeft de Politie Luchtvaart Dienst van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) met een thermische camera opnamen gemaakt van het woonwagencentrum aan de [straatnaam] te [woonplaats]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal van 22 mei 2001, 10 augustus 2001 en 30 november 2001. Hierin is opgenomen dat uit de opnamen blijkt dat het bijgebouw bij de woning van appellanten een witte dan wel lichtgrijze verkleuring te zien geeft en dat dit betekent dat er op die locatie op het moment van de opnamen een hoge warmteafgifte plaatsvond. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft er op 21 augustus 2001 een politieactie plaatsgevonden op het woonwagencentrum. In een geÔsoleerde berging aan de zijkant van de woning van appellanten en in het bijgebouw bij de woning op het betreffende terrein zijn daarbij twee in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen met in totaal 434 planten, 29 assimilatielampen van elk 600 Watt, 29 transformatoren, 2 dompelpompen, een luchtpomp, 2 koolstoffilters met afzuigers, 2 flexibele aluminium slangen, 3 tijdschakelaars, een stekkerbord, 3 ventilatoren, een elektromotor, 3 watertonnen, 3 luchtfilters en 7 vaten groeimiddel. Vervolgens is een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten toegekende uitkering. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de onderzoeksgegevens van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost en het KLPD, alsmede van de gegevens van de energieleverancier betreffende het stroomverbruik in de woning van appellanten. Tevens zijn er door appellanten verklaringen afgelegd.

Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 3 oktober 2001, met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, het recht op bijstand van appellanten over de periode van 20 mei 2001 tot en met 20 augustus 2001 herzien (lees: ingetrokken) en met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 2.816,88 van hen teruggevorderd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben voldaan aan de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van het telen van hennep, als gevolg waarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 22 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2002 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat ten tijde van de politie-inval op 21 augustus 2001 in de geÔsoleerde berging aan de zijkant van de woning van appellanten en in het bijgebouw bij de woning twee hennepkwekerijen werden geŽxploiteerd. Gelet op de omvang van de kwekerijen en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat er sprake is van professionele kwekerijen. Niet in geschil is dat appellanten het exploiteren van deze kwekerijen, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand, niet bij gedaagde hebben gemeld en aldus de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

Appellanten zijn evenwel van opvatting dat er geen enkele grond bestaat voor de stelling van gedaagde dat de kwekerij reeds op 20 mei 2001 in bedrijf was.

De Raad overweegt dienaangaande dat bij appellanten professionele hennepkwekerijen zijn aangetroffen en dat zij geen concrete verifieerbare gegevens hebben willen verstrekken over de aanvang van de exploitatie, de herkomst van de productiemiddelen en de afzet van de oogst. Evenmin hebben zij een administratie bijgehouden. Dusdoende hebben zij met betrekking tot het kunnen vaststellen van de start van de kwekerijen een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor hun rekening en risico dienen te blijven. Gedaagde is niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door uit te gaan van de datum 20 mei 2001. De Raad heeft daarbij laten wegen dat op 20 mei 2001 en 10 augustus 2001 thermische opnamen zijn gemaakt van het woonwagenkamp aan de [straatnaam], dat door een beŽdigd opsporingsambtenaar is verklaard dat is waargenomen dat de schuur van appellanten oplichtte ten teken van de aanwezigheid van een hoge temperatuur, dat uit de gegevens van de energieleverancier is gebleken dat het stroomverbruik van appellanten in de periode van 1998 tot 2001 ruimschoots boven het gemiddelde heeft gelegen en dat appellanten daarvoor geen afdoende verklaring hebben gegeven. De stelling dat het hoge energieverbruik en de warmteafgifte verklaard zouden worden door de aanwezigheid van een wasmachine, droogtrommel en douchecabine acht de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt. Evenmin hecht de Raad waarde aan de - niet met bewijsstukken onderbouwde - verklaring van appellant dat de politie, twee maanden voorafgaand aan de inval op 21 augustus 2001, een auto in zijn loods in beslag heeft genomen en heeft kunnen constateren dat er op dat moment geen sprake was van een hennepkwekerij.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft gedaagde zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 20 mei 2001 tot en met 20 augustus 2001 niet kan worden vastgesteld.

Uit het voorgaande vloeit voort dat gedaagde terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht van appellanten over de periode van 20 mei 2001 tot en met 20 augustus 2001 heeft ingetrokken. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde ingevolge artikel 69, vijfde lid, van de Abw bevoegd was geheel of ten dele van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.

Met het voorstaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellanten af te zien.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Mal een mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x