Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS7924
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat betrokkenen beschikten over een vermogen dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen te boven ging. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/3113 NABW en 03/3114 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 mei 2003, reg.nr. 02/1240 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 2005, waar appellanten - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.L. Bovee, werkzaam bij de gemeente Venlo.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen sedert 1989 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van ingekomen informatie over eigendom van onroerend goed van appellanten in Turkije is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader daarvan is onder meer onderzoek ter plaatse in de provincie Izmir in Turkije verricht, heeft huiszoeking plaatsgevonden en zijn appellanten en getuigen gehoord.

Op grond van de resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 9 juli 2002, heeft gedaagde bij besluit van 27 augustus 2002 het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1997 tot 1 juni 2002 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 74.826,34 van hen teruggevorderd. Gedaagde heeft daaraan in het bijzonder ten grondslag gelegd dat appellanten in genoemde periode over een vermogen hebben beschikt dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed en dat zij dit vermogen voor gedaagde hebben verzwegen.

Bij besluit van 5 november 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 november 2002 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover het gezin of de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt het feit dat de eigendom van een onroerend goed is geregistreerd op naam van een uitkeringsgerechtigde de veronderstelling dat dit onroerend goed een bestanddeel vormt van diens vermogen. In een dergelijke situatie is het aan de belanghebbende om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Volgens gegevens uit het Turkse kadaster is appellant eigenaar van een perceel bouwgrond gelegen in de wijk Gültepe van Izmir. Verder is gebleken dat op naam van appellant aldaar in 1998 aangifte voor onroerendgoedbelasting is gedaan voor de op deze grond gebouwde opstallen, bestaande uit een bedrijfsruimte en twee appartementen, onder aantekening bij twee van de vermelde opstallen dat sprake is van belastingbetaling vanaf 1 januari 1993. Gelet daarop en bij gebreke van andersluidende kadastrale gegevens of van een wijziging in de eigendomssituatie in de periode tot 1 juni 2002, heeft gedaagde op goede gronden aangenomen dat appellant gedurende de in geding zijnde periode eigenaar was van de grond en van de opstallen.
Aan de door appellanten overgelegde verklaring van het 25e Notariaat te Izmir van 25 september 2002 kan ook de Raad niet de door hen gewenste bewijskracht toekennen. Volgens de vertaling van het notariële document gaat het om “vaststelling van een verklaring in de geregelde vorm”, waarin - zakelijk weergegeven - appellant en twee broers van hem verklaren dat, ondanks het feit dat het onroerend goed in het kadaster is geregistreerd op naam van appellant, zij in werkelijkheid tijdens de aankoop van de bouwgrond ieder voor een gelijk deel de aankoopsom hebben betaald en daardoor ieder eigenaar van 1/3 deel van dit onroerend goed zijn. Naar het oordeel van de Raad is deze uit de mond van betrokkenen opgetekende verklaring onvoldoende objectief om in deze als bewijs te kunnen dienen. Deze verklaring vindt voorts op geen enkele wijze steun in objectieve gegevens, zoals kadastrale gegevens of documenten betreffende de destijds plaatsgehad hebbende vermogensoverdracht. De verklaring wijkt bovendien af van de aanvankelijke mededeling van appellant dat hij al sedert ruim 20 jaar eigenaar van het betrokken perceel is. Appellant heeft hiervoor geen deugdelijke verklaring kunnen geven.
De zich onder de gedingstukken bevindende huurovereenkomst brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Deze overeenkomst brengt immers geen wijziging in de eigendomssituatie van de onroerende goederen. Dat niet appellant maar zijn twee broers bij de overeenkomst feitelijk als verhuurders zijn opgetreden maakt dat niet anders.

De Raad ziet in de gedingstukken geen grondslag voor het oordeel dat voor de in geding zijnde periode niet mag worden uitgegaan van een getaxeerde waarde van de grond met opstallen van ten minste € 60.000,--

Reeds het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellanten gedurende de gehele in geding zijnde periode beschikten of redelijkerwijs konden beschikken over vermogen dat ruimschoots lag boven de in die periode toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een beletsel voor bijstandsverlening was gelegen. Zij hebben daarvan in strijd met de op hen ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan aan gedaagde. Het niet nakomen van die verplichting heeft ertoe geleid dat aan appellanten over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden om met ingang van 1 juli 1997 tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. Het betoog van appellanten dat gedaagde van dit standpunt is teruggekomen aangezien gedaagde bij besluit van 13 januari 2003 aan appellanten wederom bijstand heeft verleend slaagt niet, nu de toekenning van deze uitkering met ingang van 29 oktober 2002 ziet op een latere periode dat hier in geding. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde van intrekking kon afzien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was over te gaan tot terugvordering van appellanten van de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 juni 2002 gemaakte kosten van bijstand. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad evenmin gebleken.

Het hoger beroep van appellanten slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. van den Munckhof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x