Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS7926
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Niet nakomen van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/2810 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. dr. C.C.J. Aarts, advocaat te Schijndel, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 15 mei 2003, reg.nrs. 03/791 en 03/1196.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 3 december 2004 en 6 december 2004 heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2004. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.A. van den Bogaard, advocaat te Schijndel. Gedaagde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt allereerst vast dat de bij de brief van 6 december 2004 ingezonden nadere stukken niet zijn ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Mede gelet op het feit dat gedaagde zich niet ter zitting heeft laten vertegenwoordigen, zal de Raad deze stukken niet bij zijn beoordeling betrekken.

De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, afkomstig uit Sri Lanka, heeft - door middel van een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] - gehandeld in sieraden en edelstenen. Met ingang van 31 december 2001 heeft appellant het bedrijf beŽindigd. Vervolgens heeft appellant op 1 maart 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd, die hem bij besluit van 11 april 2002 met ingang van de datum van aanvraag door gedaagde is toegekend.

Omdat gedaagde er niet van overtuigd was dat hij over alle voor de bijstandsverlening van belang zijnde gegevens beschikte, heeft hij door de Sociale Recherche van de gemeente Sint-Michielsgestel een nader onderzoek doen instellen. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft gedaagde vastgesteld dat appellant geen volledige informatie heeft verstrekt over zijn financiŽle situatie na de beŽindiging van het bedrijf. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 10 juli 2002 het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2002 ingetrokken en de kosten van de aan appellant over de periode van 1 maart 2002 tot 1 juni 2002 verstrekte bijstand ten bedrage van Ä 4.741,75 van hem teruggevorderd.

In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft gedaagde appellant bij brief van 11 oktober 2002 in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij brief van 9 december 2002 een groot aantal stukken aan gedaagde gezonden met betrekking tot zijn financiŽle situatie en de afwikkeling van het bedrijf. Op 11 december 2002 heeft appellant nog enkele nadere stukken overgelegd.

Bij besluit op bezwaar van 4 maart 2003, verzonden op 13 maart 2003, heeft gedaagde het besluit van 10 juli 2002 vervolgens gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet - volledig - heeft voldaan aan de ingevolge artikel 65 van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting, door geen volledige informatie aan gedaagde te verstrekken en geen volledige duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn financiŽle situatie. Daarbij heeft gedaagde in het bijzonder het oog gehad op de (waarde van de) voorraad sieraden waarover appellant, privť, nog de beschikking bleek te hebben. Als gevolg van het niet naar behoren nakomen van de inlichtingenverplichting heeft gedaagde naar zijn oordeel het recht op uitkering van appellant met ingang van de datum van aanvraag (1 maart 2002) niet kunnen vaststellen, zodat het recht moet worden ingetrokken en de ten onrechte betaalde bijstand teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voorzover hier van belang, het standpunt van gedaagde onderschreven en het beroep tegen het besluit van 4 maart 2003 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de vaststelling dat appellant ontoereikende en tegenstrijdige informatie heeft gegeven omtrent de (waarde van de) sieraden.

Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep aangevoerde grieven komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Op grond van artikel 65, derde lid, van de Abw is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Abw.

In artikel 66, tweede lid, eerste volzin, van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens onderzoeken en zo nodig een onderzoek instellen naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 december 2003 (LJN: AO6767, gepubliceerd in JWWB 2004, nr. 40) moet uit dit samenstel van bepalingen worden afgeleid dat de wetgever bij de vaststelling van (de voortzetting van) het recht op bijstand voorop heeft gesteld de inlichtingen- en medewerkingsplicht van de belanghebbende zelf, maar er tevens in heeft voorzien dat in bepaalde - van het concrete geval afhankelijke - omstandigheden van burgemeester en wethouders het verrichten van nader onderzoek kan worden gevergd.

De Raad stelt in dit verband allereerst vast dat appellant vrijwel geheel heeft voldaan aan het verzoek in de brief van gedaagde van 11 oktober 2002 om overlegging van de daarin vermelde bewijsstukken. Het gevraagde bewijsstuk dat appellant niet heeft overgelegd, is een door een beŽdigd taxateur opgemaakt taxatierapport van de in het bezit van appellant zijnde sieraden. Door het ontbreken van een dergelijk rapport is de door gedaagde gewenste duidelijkheid omtrent de precieze financiŽle situatie van appellant niet verkregen. Gelet hierop heeft gedaagde zich - op zichzelf - terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het besluit van 4 maart 2003 onvoldoende inzicht in de feitelijke vermogenssituatie van appellant bestond, terwijl ook thans nog geen volledige helderheid is verkregen. Naar het oordeel van de Raad lag het in de gegeven omstandigheden echter op de weg van gedaagde om, gelet ook op de inhoud van de hiervoor vermelde door appellant - wel - overgelegde bewijsstukken (waaronder de pandbewijzen van de door appellant bij de Stadsbank van lening te Amsterdam beleende sieraden), een - diepergaand - nader onderzoek te doen instellen. In het bijzonder had het naar het oordeel van de Raad voor de hand gelegen dat gedaagde, teneinde het recht op uitkering te kunnen vaststellen, inspanningen had verricht om, mede aan de hand van de pandbrieven en desgewenst bijgestaan door een taxateur, de waarde van de sieraden te (doen) bepalen. Nu een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden, kon in feite geen onderbouwd besluit over het recht op bijstand van appellant per 1 maart 2002 worden genomen, zodat moet worden vastgesteld dat het besluit van 4 maart 2003 in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust.

De Raad overweegt vervolgens dat het besluit van 4 maart 2003 eveneens niet op een deugdelijke motivering berust voorzover gedaagde zich daarbij - impliciet - op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant opgevoerde, uit de beŽindiging van zijn bedrijf voortgevloeide, schuldenlast onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het besluit van 4 maart 2003, ook bezien in samenhang met de overige gedingstukken, biedt geen inzicht in de gronden die gedaagde ertoe hebben gebracht de gestelde schulden niet in de vaststelling van het vermogen te betrekken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat gedaagde niet kon volstaan met het handhaven van zijn in het besluit van 10 juli 2002 neergelegde standpunt dat als gevolg van schending door appellant van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen of appellant met ingang van 1 maart 2002 recht op een bijstandsuitkering had, zodat het recht moet worden ingetrokken en de betaalde bijstand teruggevorderd. Met vernietiging van de aangevallen uitspraak zal de Raad daarom, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 4 maart 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen.

Nu de Raad op grond van de beschikbare gegevens niet kan beoordelen of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 maart 2003 in stand te laten, zal gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen. Dat betekent dat gedaagde allereerst dient na te gaan en dient te onderbouwen of, en zo ja in hoeverre, het bestaan van de gestelde schulden aannemelijk is. Indien dit gelet op de bevindingen dan nog nodig is, dient gedaagde vervolgens ten aanzien van de waarde van de sieraden het hiervoor omschreven nadere onderzoek in te stellen.

Voor de goede orde wijst de Raad erop dat van appellant op grond van de ingevolge artikel 65, derde lid, van de Abw op hem rustende verplichting mag worden verlangd dat hij de nodige medewerking verleent teneinde de vereiste duidelijkheid te verkrijgen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 maart 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 1.288,--, te betalen door de gemeente Sint-Michielsgestel aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Sint-Michielsgestel aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal Ä 118,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. 't Hooft en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x