Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS8014
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/1718 NABW en 03/1720 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zijpe, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E.M. Diesfeldt, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 februari 2003, reg. nr. 01/388.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Diesfeldt en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M. van der Kuip, werkzaam bij de gemeente Zijpe.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft appellante vanaf 6 september 1982 een bijstandsuitkering verleend, aanvankelijk ingevolge de Algemene Bijstandswet en laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Medio 1997 heeft [C. V.] (hierna: [C. V.]) gedaagde medegedeeld dat hij in de twaalf jaren voorafgaande aan 1 mei 1997 een gezamenlijke huishouding met appellante heeft gevoerd. Naar aanleiding van die mededeling heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In het kader van dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 11 december 1997, is dossieronderzoek verricht en zijn appellante,[C. V.] alsmede een aantal getuigen gehoord. De conclusie van het rapport is dat appellante in de periode van 29 mei 1986 tot en met 1 mei 1997 met [C. V.] heeft samengewoond en dat zij dat niet op haar inkomstenformulieren aan gedaagde heeft gemeld.

Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 7 april 1998 de over de periode van 1 januari 1994 tot 1 mei 1997 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 59.806,78 bruto van appellante terug te vorderen.

Bij besluit van 10 januari 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 7 april 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit het recht op uitkering van appellante over de periode van 29 mei 1986 tot 1 mei 1997 ingetrokken.

Appellante heeft tegen het besluit van 10 januari 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank. Na de mededeling van de rechtbank dat zij het besluit van 10 januari 2001, voorzover daarbij het recht op bijstand over de periode van 29 mei 1986 tot 1 mei 1997 wordt ingetrokken, aanmerkt als een primair besluit, heeft gedaagde bij besluit van 15 augustus 2001 het bezwaar van appellante tegen de intrekking van het recht op uitkering ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 10 januari 2001 gegrond verklaard, dat besluit wegens een onjuiste wetstoepassing vernietigd voorzover dat ziet op de terugvordering van bijstand van appellante over de periode van 1 mei 1994 (lees: 1 januari 1994) tot en met 31 december 1995 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 10 januari 2001 in stand zijn gebleven, en voorzover dat besluit voor het overige in stand is gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit van 15 augustus 2001, waarbij het bezwaar van appellante tegen de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 29 mei 1986 tot 1 mei 1997 ongegrond is verklaard, in rechte is komen vast te staan omdat appellante tegen dat besluit geen beroep heeft ingesteld. Dit zou, aldus de rechtbank, onder de huidige bepalingen van de Abw betekenen dat daarmee in beginsel ook de rechtmatigheid van de terugvordering gegeven zou zijn. Omdat aan een terugvorderingsbesluit ten tijde in geding evenwel geen intrekkingsbesluit ten grondslag behoefde te liggen, heeft de rechtbank het terugvorderingsbesluit volledig getoetst aan de artikelen 5, 5a, 30 en 57 van de ABW alsmede aan de artikelen 3, 65 en 81 van de Abw, zoals die bepalingen van 1 januari 1994 tot 1 juli 1997 luidden.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank aldus geen juiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad behoeft een besluit tot terugvordering van bijstand verstrekt over perioden die liggen voor de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid voor de bijstandswetgeving - 1 juli 1997 - geen voorafgaand intrekkings- of herzieningsbesluit; een besluit om over te gaan tot terugvordering is in het tot 1 juli 1997 vigerende stelsel voldoende. In de gevallen dat het bijstandverlenende orgaan toch aanleiding heeft gezien om met terugwerkende kracht tot intrekking over te gaan van verleende bijstand over een voor 1 juli 1997 gelegen periode en zon besluit na bezwaar heeft gehandhaafd, kan aan een dergelijk besluit niet worden voorbijgegaan.

In het onderhavige geval heeft appellante geen beroep ingesteld tegen het op bezwaar genomen intrekkingsbesluit van 15 augustus 2001. Daarmee is in rechte komen vast te staan dat appellante gedurende de periode van 29 mei 1986 tot 1 mei 1997 de verplichting, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65 van de Abw niet is nagekomen en dat haar dientengevolge ten onrechte bijstand is verleend.
Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de verleende bijstand over de periode van 1 januari 1994 tot 1 mei 1997.
Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

De Raad stelt naar aanleiding van het verhandelde ter zitting nog wel vast dat hoofdelijke aansprakelijkheid, anders dan appellante heeft betoogd, meebrengt dat het gedaagde vrijstaat om appellante en niet[C. V.] op de terugbetaling van de verleende bijstand aan te spreken. Er is geen rechtsgrond aan te wijzen op basis waarvan appellante kan verlangen dat gedaagde ook[C. V.] aanspreekt voor de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de ten onrechte ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand.

Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x