Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS8173
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstand op de grond dat betrokkene niet langer als zelfstandige kan worden aangemerkt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/1477 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

1. [appellante], wonende te [woonplaats], appellante;
2. de erven van wijlen [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], appellanten (hierna: de erven),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft zowel voor zichzelf als namens de erven hoger beroep ingesteld tegen de tussen [betrokkene] (hierna: betrokkene) en gedaagde gewezen uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 11 januari 2002, reg.nr. AWB 01/843.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 september 2004. Appellante is, bijgestaan door mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, verschenen zowel voor zichzelf als namens de erven. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M.C. Hermans, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

Ter zitting is als door appellante en de erven meegebrachte getuige gehoord de dochter van appellante en betrokkene M.E. Momberg, wonende te [woonplaats].




II. MOTIVERING


De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten.

Betrokkene dreef vanaf 13 maart 1989 een eenmansonderneming onder de naam [naam eenmansonderneming]. Met ingang van 19 augustus 1996 heeft betrokkene de onderneming ondergebracht in een Private Limited Company naar het recht van het Verenigd Koninkrijk.

Betrokkene ontving van 1 januari 1996 tot en met 30 september 1996 als zelfstandige in de zin van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, in de - voorlopige - vorm van een geldlening.

Bij op 2 oktober 1996 gedateerde en op 7 oktober 1996 bij gedaagde ontvangen aanvraag heeft betrokkene verzocht om toekenning van bijstand wegens onvoldoende inkomsten uit arbeid en het aflopen van de tot en met 30 september 1996 toegekende uitkering ingevolge de Abw.

Bij besluit van 1 november 1996, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juni 1997, heeft gedaagde de aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene niet langer als zelfstandige kon worden aangemerkt.

Op 11 december 1996 heeft betrokkene bij gedaagde een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Eveneens op 11 december 1996 heeft betrokkene zijn onderneming bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven en daarbij als datum van beŽindiging van de onderneming 15 oktober 1996 laten opnemen.

De aanvraag van 11 december 1996 heeft - uiteindelijk - geleid tot toekenning van bijstand met ingang van 15 oktober 1996.

Bij uitspraak van 7 december 1998 heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 23 [lees: 19] juni 1997 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft - voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven - geoordeeld dat gedaagde zich weliswaar (materieel) terecht het op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene, anders dan in de voorafgaande periode, niet langer als zelfstandige kon worden aangemerkt, maar dat gedaagde vervolgens had dienen na te gaan of betrokkene als niet-zelfstandige voor bijstand in aanmerking kwam. Gedaagde heeft echter nagelaten enig onderzoek te doen naar de bijstandsbehoeftigheid van betrokkene.
Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 7 december 1998 heeft gedaagde bij besluit van 16 maart 1999 opnieuw op het bezwaar beslist en daarbij aan betrokkene - ook - over de periode van 1 oktober 1996 tot en met 14 oktober 1996 bijstand toegekend. Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat reeds vanaf 1 oktober 1996 sprake was van bijstandsbehoeftigheid van betrokkene.

Bij uitspraak van 2 oktober 2001 heeft de Raad in het door betrokkene tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 december 1998 ingestelde hoger beroep die uitspraak, voorzover aangevochten, bevestigd en voorts het beroep van betrokkene voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 16 maart 1999, ongegrond verklaard. Ook de Raad is, zij het op een andere grond dan de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat betrokkene met ingang van 1 oktober 1996 niet langer als zelfstandige kon worden aangemerkt.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 7 december 1998 heeft betrokkene bij brief van 24 december 1998, aangevuld bij brief van 6 april 1999, gedaagde verzocht om vergoeding van de schade die betrokkene lijdt als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van gedaagde naar aanleiding van de aanvraag om bijstand van 2 oktober 1996.

Bij (zelfstandig schade)besluit van 23 november 1999, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 februari 2001, heeft gedaagde het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 20 februari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante en de erven hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het hoger beroep van appellante

De Raad stelt, daargelaten of appellante kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 20 februari 2001, ambtshalve vast dat het hoger beroep van appellante op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb hoe dan ook niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Appellante heeft immers, anders dan betrokkene, geen beroep ingesteld tegen het besluit van 20 februari 2001. Niet is gebleken dat dit appellante niet redelijkerwijs kan worden verweten.



Het hoger beroep van de erven

Het verzoek om schadevergoeding ziet op de schade ten bedrage van f 545.966,-- (geleden verlies en gederfde winst, alsmede immateriŽle schade) die volgens betrokkene voortvloeit uit de beŽindiging van het bedrijf van betrokkene. Naar het oordeel van betrokkene was hij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van gedaagde gedwongen daartoe over te gaan, omdat hij alleen op die manier in aanmerking zou kunnen komen voor bijstandsverlening als niet-zelfstandige.

Betrokkene heeft zich ter onderbouwing van de schadeplichtigheid van gedaagde in de kern op het standpunt gesteld dat gedaagde hem, in het kader van het - verplichte - onderzoek naar de mogelijkheid van bijstandverlening als niet-zelfstandige, had moeten wijzen op de mogelijkheid om maximaal 1225 uur per jaar in de onderneming werkzaam te blijven, in welk geval hij gelet op artikel 5, eerste lid, van de Abw immers niet langer als zelfstandige in de zin van de Abw zou worden aangemerkt. In dat geval had hij - zij het op beperktere schaal dan voordien - de onderneming kunnen voortzetten. Nu gedaagde zulks echter heeft nagelaten restte betrokkene, aangezien hij door de aanwezigheid van enkele privť-schulden (waaronder een huurschuld) in acute financiŽle nood verkeerde, niets anders dan het bedrijf te ontmantelen.

De vraag of gedaagde gehouden is tot schadevergoeding dient te worden beantwoord aan de hand van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In artikel 6:162 van het BW is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden. Op grond van artikel 6:98 van het BW komt slechts die schade voor vergoeding in aanmerking, die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

De Raad stelt voorop dat de erven zich niet op het standpunt hebben gesteld dat de beweerdelijk geleden schade het gevolg is van vertraging in de voldoening van een geldsom, zodat artikel 6:119 van het BW in dit geding niet aan de orde is.

Naar aanleiding van de desbetreffende grief overweegt de Raad dat, hoewel zulks uit de aangevallen uitspraak niet steeds even duidelijk blijkt, de rechtbank zich niet heeft beperkt tot de vraag of het besluit van 23 [lees: 19] juni 1997 de beweerdelijk geleden schade heeft veroorzaakt, maar daarbij - terecht - tevens en met name heeft betrokken de vraag of het besluit van 1 november 1999 tot die schade heeft geleid.

Naar aanleiding van de grief inzake de grondslag voor de schadeplichtigheid stelt de Raad allereerst vast dat op grond van de - in hoger beroep in stand gebleven - uitspraak van de rechtbank van 7 december 1998 vaststaat dat het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit van 1 november 1999 onrechtmatig is, uitsluitend omdat gedaagde heeft nagelaten naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene na te gaan of betrokkene als niet-zelfstandige voor bijstand in aanmerking kwam en geen onderzoek heeft ingesteld naar de bijstandsbehoeftigheid van betrokkene.

Hieruit volgt naar het oordeel van de Raad slechts dat gedaagde, uitgaande van het gegeven dat betrokkene niet langer zelfstandige in de zin van de Abw was, had moeten bezien of betrokkene gelet op de omstandigheden ten tijde van de aanvraag (althans: per 1 oktober 1996) in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. Een verplichting voor gedaagde om betrokkene te wijzen op de mogelijkheid om naast een eventuele bijstandsuitkering als niet-zelfstandige werkzaam te blijven in de onderneming (nog daargelaten of, en zo ja in hoeverre, een dergelijke mogelijkheid rechtens wel aanwezig zou zijn), kan daaronder naar het oordeel van de Raad niet worden begrepen.

Reeds op die grond moet worden vastgesteld dat de beweerdelijk geleden schade als gevolg van de beŽindiging van het bedrijf niet kan worden toegerekend aan het besluit van 1 november 1996.

Al hetgeen overigens tegen de aangevallen uitspraak en het besluit 20 februari 2001 is aangevoerd, kan gelet op het voorgaande buiten bespreking blijven.

De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat, nu betrokkene de bijstandsuitkering over de periode van 1 oktober 1996 tot en met 14 oktober 1996 op een later tijdstip heeft ontvangen dan waarop hij deze had moeten ontvangen, wel sprake is van vertragingsschade (welke op grond van artikel 6:119 van het BW is gefixeerd op de wettelijke rente). Het verzoek om schadevergoeding heeft daarop echter geen betrekking.



Slotoverweging

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In het hoger beroep van appellante:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

In het hoger beroep van de erven:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs.Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x