Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AS9535
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/4982 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 september 2002, reg.nr. 01-868 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.




II. MOTIVERING


De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 4 september 1995 een bijstandsuitkering, aanvankelijk ingevolge de op de Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en vanaf 1 februari 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van ontvangen gegevens van de Belastingdienst heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering. In dat kader is looninformatie opgevraagd bij [naam Motel] en [naam B.V.] (thans: [naam B.V.]) en is appellant gehoord. Op grond van de resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 september 2000, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant gedurende de periode van 4 september 1995 tot en met 15 maart 1997 werkzaamheden heeft verricht voor [naam Motel] en voor [naam B.V.], waarvan hij aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan. Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 9 oktober 2000 het recht op bijstand van appellant over de periode van 4 september 1995 tot en met 15 maart 1997 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 15 maart 1997 terug te vorderen tot een bedrag van f 11.576,52.
Bij besluit van 22 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2000, met wijziging van de periode waarover wordt teruggevorderd in 11 oktober 1995 tot en met 15 maart 1997 en met verlaging van het terug te vorderen bedrag tot f 11.248,13, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 22 mei 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover het de (wettelijke grondslag voor de) herziening betreft en de rechtsgevolgen van het vernietigde [gedeelte van het] besluit in stand gelaten.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden. Appellant heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat geen sprake is van door hem in de periode van 4 september 1995 tot en met 15 maart 1997 genoten inkomsten uit werkzaamheden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd stelt de Raad voorop dat appellant betwist dat hij gedurende de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving, heeft gewerkt voor zowel [naam Motel] als voor [naam B.V.]. Anders dan de rechtbank gaat de Raad er dan ook van uit dat appellant zijn beroepsgrond over de werkzaamheden voor [naam Motel] niet heeft prijsgegeven. Dat appellant erkent dat hij in 1995 in [naam Motel] heeft gewerkt, betekent immers nog niet dat deze erkenning eveneens geldt voor de periode waarover appellant uitkering ontving.

De Raad is vervolgens, evenals gedaagde en de rechtbank, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende steun bieden voor gedaagdes standpunt dat appellant gedurende de periode van 4 september 1995 tot en met 15 maart 1997 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten, waarvan door hem geen mededeling is gedaan aan gedaagde. Uit de gegevens van de Belastingdienst in combinatie met de door [naam Motel] en [naam B.V.] verstrekte looninformatie komt naar voren dat appellant in de periode van 4 september 1995 tot en met 31 oktober 1995 heeft gewerkt voor [naam Motel] en in de periode van 28 augustus 1995 tot en met 15 maart 1997 voor [naam B.V.]. In een dergelijk geval is het aan de betrokkene om aan te tonen althans aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De Raad is van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de overgelegde loonstroken van [naam Motel] geen betrekking zouden hebben ook op werkzaamheden verricht vanaf 4 september 1995. Voorts kan de Raad aan de verklaring van appellant dat niet hij maar zijn jongere broer voor [naam B.V.] heeft gewerkt, niet die waarde toekennen die appellant daaraan toegekend wil zien. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder betekenis gehecht aan het - vaststaande - feit dat de loonbetaling door [naam B.V.] op verzoek van appellant plaatsvond op een ten name van appellant staande rekening.

Gelet op het voorgaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat appellant in de in geding zijnde periode, zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde, werkzaamheden voor [naam Motel] en [naam B.V.] heeft verricht en daarvoor loon heeft ontvangen. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW en artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan aan appellant tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Met het voorgaande is gegeven dat gedaagde terecht is overgegaan tot herziening van het recht op bijstand en voorts dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van achtereenvolgens artikel 57, aanhef onder a en d, van de ABW en artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw. De Raad is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd kon worden geacht geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien.

De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x