Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT0352
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van de bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. De ontvangen kleding en boodschappen van de ex-echtgenoot zijn aan te merken als middelen in de zin van artikel 42 van de Abw. Hoogte van de opgelegde boete.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/727 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 december 2002, reg.nr. 02/597 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden en een vraag beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt sedert 16 maart 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 18 september 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari 2001 herzien, de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van f 8.210,05 teruggevorderd en een boete van f 825,-- opgelegd.

Bij besluit van 14 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 september 2001 ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde de hoogte van de terugvordering nader vastgesteld op 3.564,21 ( 7.854,49) en de boete op 363,--. Voor het overige heeft gedaagde het besluit van 18 september 2001 gehandhaafd. Gedaagde heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellante vanaf april 2000, zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde, van haar ex-echtgenoot onderhoudsbijdragen in natura heeft ontvangen die een waarde vertegenwoordigen van gemiddeld f 500,-- per maand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 februari 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft zij aangevoerd dat de kleding en boodschappen die zij van haar ex-echtgenoot ontving als gift dienen te worden aangemerkt en dat deze goederen naar hun aard niet overeenkomen met uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zodat deze goederen niet kunnen worden beschouwd als inkomen, waarvan de waarde in mindering dient te worden gebracht op de bijstandsuitkering.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Voor de van toepassing zijnde bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.



Herziening en terugvordering

De Raad is van oordeel dat op basis van de gedingstukken voldoende aannemelijk is geworden dat appellante ten tijde hier van belang regelmatig van haar ex-echtgenoot kleding voor de kinderen en boodschappen voor het gezin
ontving.

Deze goederen moeten worden aangemerkt als middelen in de zin van artikel 42 van de Abw. De goederen zijn niet te beschouwen als giften die op grond van artikel 44 van de Abw niet in aanmerking worden genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de goederen volgens verklaringen van appellante en haar ex-echtgenoot bestemd waren om te voorzien in het levensonderhoud van het gezin van appellante. Gelet op het doel van deze verstrekkingen alsmede het periodieke karakter daarvan, komen deze naar hun aard overeen met uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Aangezien de middelen bovendien betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw, dat op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bij de bepaling van de hoogte van de bijstand dient te worden betrokken.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde, daarbij toepassing gevend aan artikel 48, eerste lid, van de Abw, de waarde van het inkomen in natura terecht heeft vastgesteld op f 500,-- per maand. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat zowel appellante als haar ex-echtgenoot hebben verklaard dat de goederen een waarde vertegenwoordigden van gemiddeld ongeveer f 500,-- per maand.

Door gedaagde niet te informeren over de verkregen middelen van de ex-echtgenoot heeft appellante gehandeld in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Als gevolg van het niet melden van deze middelen heeft gedaagde aan appellante tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Gedaagde was dan ook gehouden het recht op bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari 2001 op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw te herzien en alsnog rekening te houden met deze middelen. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari 2001. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad evenmin gebleken.

In hetgeen overigens door appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.



Boete

Hierboven is vastgesteld dat appellante de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen als gevolg waarvan tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Gelet hierop was gedaagde gehouden appellante een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Gedaagde heeft de hoogte van de boete overeenkomstig de bepalingen van het Boetebesluit socialezekerheidswetten en uitgaande van een benadelingsbedrag van 3.564,21 vastgesteld op 363,--.

De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.

Ten tijde van de behandeling van het hoger beroep is de Abw ingetrokken en is de Wet werk en bijstand (Wwb) in werking getreden. De Wwb voorziet niet langer in de mogelijkheid van het opleggen van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw.

De gemeenteraad van Tilburg heeft inmiddels de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb bedoelde Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: de Afstemmingsverordening) vastgesteld.

Artikel 18, tweede lid, van de Wwb bepaalt, voorzover hier van belang, dat het college van burgemeester en wethouders de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Een van deze verplichtingen is de in artikel 17, eerste lid, van de Wwb omschreven inlichtingenverplichting.

Artikel 7, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de hoogte van de maatregel in geval van schending van de inlichtingenverplichting in een situatie als de onderhavige 10% van het bruto fraudebedrag bedraagt.

Derhalve kan niet worden gezegd dat de bepalingen van de Afstemmingsverordering met betrekking tot de hoogte van de sanctie voorzien in een lagere sanctie dan de bij het besluit van 14 februari 2002 nader vastgestelde boete.

Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de boete met toepassing van artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de Abw op een ander bedrag vast te stellen is de Raad niet gebleken. Evenmin is gebleken van dringende redenen op grond van artikel 14a, vierde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om van het opleggen van een boete af te zien.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x