Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT1643
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de bijstand op de grond dat betrokkene gedurende de periode in geding verblijf buiten Nederland heeft gehouden, terwijl zij reeds vier weken (met behoud van uitkering) buiten Nederland had verbleven.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/3610 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, appellant,

en

[gedaagde], wonende in [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 31 mei 2002, reg.nr. Awb 01/608.

Namens gedaagde heeft mr. R.A.A. Maat, advocaat te Middelburg, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door J.P.F. Stevense, werkzaam bij de gemeente Middelburg, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Maat.



II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij brief van 26 maart 2001 heeft gedaagde appellant verzocht haar toestemming te verlenen om met behoud van uitkering langer dan vier weken buiten de gemeente [woonplaats] te verblijven, te weten van 14 april 2001 tot 9 juni 2001, teneinde haar moeder en haar zuster - die beiden ernstig ziek zijn - te bezoeken. Deze brief is opgesteld met behulp van de heer Lenselink, werkzaam bij de gemeente Middelburg. Gedaagde heeft de beslissing op dit verzoek niet afgewacht. Zij is op 14 april 2001 naar Chili vertrokken. Op 9 juni 2001 is zij in Nederland teruggekeerd.

Bij besluit van 9 juli 2001 heeft appellant het recht van gedaagde op bijstand over de periode 12 mei 2001 tot 9 juni 2001 ingetrokken op de grond dat gedaagde gedurende die periode verblijf buiten Nederland heeft gehouden, terwijl zij reeds vier weken (met behoud van uitkering) buiten Nederland had verbleven.

Bij besluit van 25 september 2001 heeft appellant het tegen het besluit van 9 juli 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, het tegen het besluit van 25 september 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant, door toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Abw niet te overwegen en onvoldoende onderzoek te doen naar de situatie van gedaagde, onzorgvuldig en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat gedaagde ten tijde in geding woonplaats had in Nederland en dat in haar situatie sprake is van een gebruikelijke vakantieduur van vier weken. Verder staat vast dat gedaagde van 14 april 2001 tot 9 juni 2001 verblijf heeft gehouden buiten Nederland. De vierwekentermijn verstreek op 11 mei 2001. Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw had gedaagde vanaf die datum - zolang haar verblijf buiten Nederland voortduurde - geen recht op bijstand. Dat, zoals gedaagde heeft aangevoerd, in wezen geen sprake is geweest van een vakantie maakt dat niet anders. Het doel van het verblijf in het buitenland speelt bij de toepassing van deze bepaling geen rol.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Abw is appellant bevoegd, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van (onder meer) artikel 9, eerste lid, van de Abw bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Gedaagde heeft zich op deze bepaling beroepen.

Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Abw kan, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming hiervan, in het algemeen slechts sprake zijn in geval van een acute noodsituatie, te weten een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert niet op andere wijze zijn te verhelpen. De Raad merkt hierbij op dat die dringende redenen volgens vaste rechtspraak uitsluitend betrekking kunnen hebben op degene die, hoewel geen recht hebbende op bijstand, niettemin voor bijstand in aanmerking wil komen. De door gedaagde vermelde omstandigheden, wat daarvan verder ook zij, houden evenwel niet in dat ter zake van haarzelf gedurende de in geding zijnde periode sprake was van een acute noodsituatie zoals hierboven aangeduid. Appellant was derhalve niet bevoegd aan gedaagde over het tijdvak van 12 mei 2001 tot 9 juni 2001 een uitkering ingevolge de Abw toe te kennen.

Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, heeft appellant de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Abw wel overwogen, hetgeen reeds blijkt uit pagina 1, onderaan, van het besluit van 9 juli 2001. De in bezwaar aangevoerde redenen voor het langere verblijf in Chili zijn geen andere dan die welke al in het verzoek van 26 maart 2001 zijn neergelegd. Deze redenen zijn op zichzelf ook voldoende duidelijk. De Raad verenigt zich dan ook niet met het oordeel van de rechtbank dat appellant op dit onderdeel tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht en dat appellant artikel 3:2 van de Awb heeft geschonden.

Aan het voorgaande kan het feit dat appellant op de dag van het vertrek van gedaagde naar Chili nog geen beslissing op het verzoek van 26 maart 2001 had genomen geen afbreuk doen. Hierbij tekent de Raad nog aan dat niet is gebleken dat gedaagde voor haar vertrek nader heeft geļnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van haar verzoek.

De Raad volgt gedaagde niet in haar stelling dat zij er ten tijde van haar vertrek naar Chili op mocht vertrouwen dat zij met behoud van uitkering aldaar gedurende acht weken mocht verblijven. Gedaagde heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase erkend dat de heer Lenselink aan haar geen toezegging heeft gedaan. Deze is slechts behulpzaam geweest bij het opstellen van het verzoek om toestemming. Ook overigens is de Raad niet gebleken van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van appellant waaraan gedaagde de - rechtens te honoreren - verwachting mocht ontlenen dat haar verzoek zou worden ingewilligd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, en mr. J.G. Treffers en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. van den Munkhof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x