Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT2074
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting. Hoogte van de opgelegde boete.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4297 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. W.A. van de Ven-Walter, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juli 2003, reg.nr. 02/1841 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2005, waar voor appellante is verschenen mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.C.G. Nijman, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 17 oktober 1991 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een rapport van de sociale recherche van de gemeente Roosendaal van 22 januari 2002, heeft gedaagde bij besluit van 28 januari 2002 het recht van appellante op bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 oktober 2001 herzien op de grond dat appellante gedurende die periode inkomsten heeft ontvangen waarvan zij aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan. Tevens heeft gedaagde besloten de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.801,22 van appellante terug te vorderen en aan haar een boete op te leggen van € 891,--.

Bij besluit van 16 augustus 2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 28 januari 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 augustus 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover het de opgelegde boete betreft. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan de boete gematigd zou moeten worden of van dringende redenen op grond waarvan van het opleggen van een boete moest worden afgezien.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft evenals gedaagde vastgesteld dat appellante aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan van haar werkzaamheden gedurende de periode in geding, waarmee zij heeft gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting. Nu appellante dit onderdeel van de aangevallen uitspraak niet heeft bestreden, gaat ook de Raad daarvan uit.

Gezien het rapport van het verrichte boeteonderzoek, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat bij appellante elke verwijtbaarheid ten aanzien van de hiervoor genoemde gedraging ontbreekt. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat deze gedraging heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand - zodat niet met een waarschuwing kon worden volstaan - was gedaagde verplicht aan appellante een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Gedaagde heeft de hoogte van de boete met toepassing van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten en uitgaande van het hiervoor vermelde benadelingsbedrag juist vastgesteld op het bedrag van € 891,--.

De Raad overweegt voorts het volgende.

De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet voorziet in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Hangende de behandeling van het hoger beroep is de Abw ingetrokken en is de Wet werk en bijstand (Wwb) ingevoerd. De Wwb voorziet niet langer in de oplegging van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw. Artikel 18, tweede lid, van de Wwb - voorzover hier van belang - bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders de bijstand overeenkomstig de door de gemeenteraad vastgestelde verordening verlaagt indien de belanghebbende de uit de Wwb voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Een van deze verplichtingen is de in artikel 17, eerste lid, van de Wwb omschreven inlichtingenverplichting. De gemeenteraad van Roosendaal heeft de Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2004 vastgesteld. Toepassing van die verordening op de onderhavige gedraging zou leiden tot een verlaging van de bijstand met een bedrag van € 1.036,61. Derhalve kan niet worden gezegd dat de bepalingen van deze verordening voorzien in een lagere sanctie dan de opgelegde boete.

Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de boete met toepassing van artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de Abw op een ander bedrag vast te stellen dan wel van dringende redenen op grond waarvan van oplegging van een boete moet worden afgezien, is ook de Raad niet gebleken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de rapportage van de sociale recherche omtrent het boeteonderzoek blijkt dat appellante gedaagde bewust niet (volledig) heeft geďnformeerd over haar werkzaamheden alsmede dat zij in dat kader tegenover de betrokken sociaal rechercheur heeft verklaard dat in haar persoonlijke situatie geen sprake is van bijzondere omstandigheden die meegewogen moeten worden bij het opleggen van een boete. Appellante heeft er nog op gewezen dat in het rapport van het boeteonderzoek ook is vermeld dat er in beperkte mate persoonlijke omstandigheden bekend zijn geworden die een matiging van de boete rechtvaardigen. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde hieraan gelet op de overige onderzoeksbevindingen terecht niet de betekenis toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. Daarbij betrekt de Raad dat van de kant van appellante geen in dit verband relevante bijzondere omstandigheden of dringende redenen zijn aangevoerd.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, en mr. J.G. Treffers en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. van den Munckhof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x