Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT3073
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de vastgestelde aflossingscapaciteit en weigering om af te zien van verdere terugvordering.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/5814 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 oktober 2002, reg.nr. 01/452.

Gedaagde heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Weldam, en waar voor gedaagde is verschenen M.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 15 mei 1997 is aan appellante bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend voor de kosten van woninginrichting tot een bedrag van f 9.000,--. Appellante diende met ingang van 1 juni 1997 over te gaan tot aflossing van deze lening.

Bij besluit van 28 juni 1999 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante de uit de geldlening voortvloeiende betalingsverplichting in het geheel niet is nagekomen. Voorts heeft gedaagde bij dat besluit met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) het bedrag van f 9.000,-- van appellante teruggevorderd. Appellante is in de gelegenheid gesteld de vordering ingaande 1 augustus 1999 in maandelijkse termijnen van f 100,-- te voldoen.

Bij besluit van 19 december 2000 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat haar aflossingscapaciteit met ingang van 1 januari 2001 is vastgesteld op f 240,-- per maand.

Bij besluit van 23 maart 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 19 december 2000 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de aflossingscapaciteit vastgesteld op f 120,-- en geweigerd toepassing te geven aan artikel 78c van de Abw. In dat kader is aangegeven dat de door gedaagde in het gemeentelijk beleid geformuleerde zogenoemde verruimingsregels in het onderhavige geval niet van toepassing zijn en dat de invordering niet zal worden gestaakt nadat appellante drie jaar aan haar aflossingsverplichting heeft voldaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 maart 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het geding zich beperkt tot de vraag of gedaagde terecht geen toepassing heeft gegeven aan de in het gemeentelijk beleid geformuleerde verruimingsregels en de aflossingsverplichting terecht niet beperkt heeft tot drie jaar. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beleid van gedaagde de grenzen van een redelijke beleidsvorming niet overschrijdt en dat er geen sprake is van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat gelet op de inhoud van het besluit van 23 maart 2001 artikel 78c van de Abw het juridisch kader vormt voor de beoordeling van het verzoek van appellante toepassing te geven aan de door gedaagde geformuleerde verruimingsregels.

Ter zitting is namens gedaagde gesteld dat de verruimingsregels zouden zijn vastgesteld in het kader van artikel 78a van de Abw. In het licht van het besluit van 23 maart 2001 en door gedaagde ingediende verweerschriften waarbij consequent is verwezen naar artikel 78c van de Abw kent de Raad aan deze stelling geen betekenis toe.

Ingevolge artikel 78c, eerste lid, van de Abw - welk artikel is ingevoegd bij wijzigingswet van 9 april 1998, Stb. 1998, 278 - kunnen burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost.

Gedaagde is blijkens de motivering van zijn besluit van 23 maart 2001 niet ingegaan op de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 78c van de Abw is voldaan. Uit de overwegingen van het besluit van 23 maart 2001 blijkt dat het verzoek de invordering te beperken tot een periode van drie jaren is afgewezen op grond van het gemeentelijk beleid. Gedaagde had bij de heroverweging van het primaire besluit echter eerst dienen na te gaan of aan n van de voorwaarden van artikel 78c, eerste lid, a tot en met d, van de Abw is voldaan. De toepassing van de gemeentelijke beleidsregels over kwijtschelding kan immers pas in beeld komen nadat is vastgesteld dat n van deze voorwaarden is vervuld.

Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat appellante ten tijde van het besluit op bezwaar nog geen begin had gemaakt met de aflossing van haar schuld aan gedaagde, zodat appellante op dat tijdstip niet voldeed aan n van de in artikel 78c, eerste lid, onder a, b en d, van de Abw omschreven voorwaarden. Aangezien appellante op 1 juni 1997 had moeten beginnen met de aflossing van haar schuld en ten tijde van het besluit op bezwaar nog geen vijf jaren verstreken waren, voldeed zij evenmin aan de in artikel 78c, eerste lid, onder c, van de Abw omschreven voorwaarde.

Het vorenstaande betekent dat gedaagde op grond van artikel 78c van de Abw niet bevoegd was tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering. Het gemeentelijk beleid en de toepassing daarvan kunnen daarom verder onbesproken blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat het wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

De Raad ziet voorts aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 23 maart 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 1.288,--, te betalen door de gemeente Almere aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Jrg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L. Jrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x