Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT3352
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Wat is de bijstandsnorm voor een echtpaar van buitenlandse afkomst met een gezamenlijke huishouding waarvan slechts n echtgenoot een verblijfsvergunning heeft?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/6431 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2002, reg.nr. Abw 02/354.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] (hierna: [naam echtgenote]), en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz-Pierik en mr. R.W.J.M. Teurlings, beiden werkzaam bij de gemeente Capelle aan den IJssel.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant, van Joegoslavische nationaliteit, is een vergunning tot verblijf verleend voor de periode van 1 november 2000 tot 1 november 2005. [naam echtgenote] beschikt met ingang van 31 oktober 2002 over een vergunning tot verblijf. Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren. Ten behoeve van het oudste, op 30 maart 1998 geboren kind is kinderbijslag toegekend met ingang van 1 januari 2001 en voor het jongste, op 3 maart 2001 geboren kind is kinderbijslag toegekend met ingang van 1 april 2001. Zij woonden aanvankelijk in bij de moeder van [naam echtgenote]. Vanaf 20 maart 2001 wonen zij zelfstandig en op 10 mei 2001 zijn zij gehuwd.

Bij besluit van 26 januari 2001 is appellant met ingang van 20 november 2000 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande van 21 tot 65 jaar en vermeerderd met een toeslag van 10%. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 juni 2001 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat zijn bijstandsnorm ingaande 20 maart 2001 gehandhaafd blijft op de norm voor een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, maar dat de toeslag per die datum wordt verhoogd van 10% tot 20%. De bijstandsuitkering van appellant is vervolgens wegens werkaanvaarding beindigd met ingang van 1 september 2001.

Gedaagde heeft het tegen het besluit van 1 juni 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 17 januari 2002.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 17 januari 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde terecht de norm voor een alleenstaande gehanteerd en de grief dat gedaagde appellant bijstand had dienen te verlenen naar de norm voor een alleenstaande ouder verworpen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat appellant op 20 maart 2001 op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw tot de kring van personen behoorde die recht hebben op bijstand. Hij moest, ook al was hij toen nog niet in het huwelijk getreden, op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw voor de toepassing van de Abw als gehuwd worden aangemerkt, omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam echtgenote]. Onbetwist is dat [naam echtgenote] destijds niet tot de kring van personen behoorde die recht heeft op bijstand.

Appellant had ten tijde hier van belang de volledige zorg voor de bij hem en [naam echtgenote] wonende kinderen, voor wie hij aanspraak op kinderbijslag kon maken. Deze kinderen moesten worden aangemerkt als ten laste komende kinderen als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder e, van de Abw. Uit het bepaalde in de artikelen 4 en 32 in verbinding met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw volgt dat de voor appellant in aanmerking te nemen norm die voor de alleenstaande ouder was van 21 jaar en ouder, doch jonger dan 65 jaar (op 20 maart 2001: f 1.622,54).

De Raad onderschrijft niet het standpunt van gedaagde dat de hoogte van de bijstand in dit geval zou moeten worden bepaald overeenkomstig het destijds geldende normbedrag voor een alleenstaande van 21 tot 65 jaar. Dat standpunt is in strijd met de zojuist genoemde, niet voor tweerlei uitleg vatbare wettelijke bepalingen. Het miskent ook dat het zogeheten koppelingsbeginsel, waarop gedaagde kennelijk een beroep doet, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 26 maart 1998, Stb. 203 zich beperkt tot illegale vreemdelingen die een beschikking vragen van een bestuursorgaan voorzover het gaat om verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 233, nr. 6, blz. 7). In dit geval gaat het echter niet om een illegale vreemdeling, maar om het recht op bijstand van een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die verplicht was te voorzien in de kosten van levensonderhoud van de bij hem inwonende kinderen en die, aangezien zijn middelen niet toereikend waren om te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c ten derde, van de Abw en omdat [naam echtgenote] geen recht had op bijstand, om verlening van algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft verzocht.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, het besluit van 17 januari 2002 wegens strijd met de wet vernietigen en bepalen dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in beroep begroot op 644,--, en in hoger beroep op 322,--, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2002;
Bepaalt dat appellant met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 966,--, te betalen door de gemeente Capelle aan den IJssel aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Capelle aan den IJssel aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal 111,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x