Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT3658
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van de verplichting strekkende tot vermindering of beŽindiging van de bijstandverlening. De opgelegde verplichting is niet in strijd met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/5896 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft W. Palmers, wonende te Kerkrade, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 oktober 2002, reg.nr. 01/1417 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en aan de Raad desgevraagd een nader stuk gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar voor appellante is verschenen W. Palmers en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. Quaedvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft een zoon die geboren is op 28 mei 1991 en bij haar inwoont. De zoon is als enig erfgenaam gerechtigd in de nalatenschap van zijn op 1 juni 1993 overleden vader.

Bij besluit van 22 juli 1997 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 13 juni 1997 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. De uitkering is berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Bij besluit van 25 juni 1998 heeft gedaagde het besluit tot toekenning van bijstand herzien in dier voege dat aan appellante met ingang van 13 juni 1997 bijstand is toegekend in de vorm van een geldlening. Daarnaast heeft gedaagde appellante de verplichting opgelegd bij de kantonrechter een verzoek in te dienen om vrij te kunnen beschikken over het vruchtgebruik van het aan haar zoon toegevallen vermogen en over dat vermogen zelf.

Bij besluit van 6 mei 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2001 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 mei 1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Aan haar uitspraak heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat gedaagde de bijstand aan appellante ten onrechte in de vorm van een geldlening heeft verleend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft gedaagde ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 1998. Gedaagde heeft het bezwaar gegrond verklaard voorzover het is gericht tegen de vorm van de aan appellante toegekende bijstand en bepaald dat de bijstand met ingang van 13 juni 1997 om niet wordt verleend. Gedaagde heeft het bezwaar ongegrond verklaard voorzover het is gericht tegen de opgelegde verplichting.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat gedaagde door het bezwaar ongegrond te verklaren voorzover het is gericht tegen het opleggen van de verplichting geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2001. Voorts heeft zij aangevoerd dat het opleggen van de onderhavige verplichting in strijd is met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat de rechtbank zich in haar uitspraak van 12 juni 2001 niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de aan appellante bij besluit van 25 juni 1998 opgelegde en bij besluit van 6 mei 1999 gehandhaafde verplichting. De rechtbank heeft het besluit van 6 mei 1999 vernietigd op de grond dat gedaagde de bijstand aan appellante ten onrechte in de vorm van een geldlening heeft verleend. Anders dan appellante is de Raad dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat gedaagde bij zijn besluit van 9 oktober 2001 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 12 juni 2001 door het bezwaar tegen het opleggen van de verplichting ongegrond te verklaren.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Ingevolge artikel 106 van de Abw, voorzover van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die strekken tot vermindering of beŽindiging van de bijstand.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante en haar zoon een gezin vormen als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c ten derde, van de Abw, zodat burgemeester en wethouders ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Abw verplicht zijn de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.

De Raad kan uit de stukken niet anders afleiden dan dat gedaagde met het opleggen van de onderhavige verplichting heeft beoogd dat het vermogen van de zoon van appellante en de inkomsten uit dat vermogen beschikbaar komen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van het door appellante en haar zoon gevormde gezin, zodat de verplichting strekt tot vermindering of beŽindiging van de bijstandsverlening. Gedaagde was derhalve bevoegd appellante de betreffende verplichting op te leggen. De Raad ziet geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De Raad verwerpt de grief dat de opgelegde verplichting in strijd is met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge de Abw wordt bij de verlening van bijstand aan een ouder geen rekening gehouden met de middelen van diens meerderjarige kinderen. Met de middelen van een kind dat jonger is dan 18 jaar en voor wie de ouder aanspraak op kinderbijslag kan maken, wordt daarentegen wel rekening gehouden. Anders dan appellante ziet de Raad hierin geen verboden onderscheid als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bedoelde onderscheid op redelijke en objectieve gronden berust. Het onderscheid is immers gebaseerd op het uitgangspunt dat kinderen van 18 jaar en ouder meerderjarig zijn en doorgaans als economisch zelfstandig kunnen worden aangemerkt.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x