Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT3667
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens beschikbaar vermogen uit nalatenschap dat de toepasselijke vermogensgrens overschrijdt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/162 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 3 december 2002, reg.nr. 02/1287 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een schriftelijke reactie op het verweerschrift aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 februari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hest, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.B.M.P. Willems, werkzaam bij de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 januari 1992 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Op 25 september 2001 ontving appellante uit de nalatenschap van haar oom [naam oom] (hierna: [oom]) een bedrag van f 52.388,81 op haar bankrekening. Dit gegeven vormde voor gedaagde aanleiding bij besluit van 13 december 2001 het recht op bijstand van appellante met ingang van 19 juni 2000 (de datum van overlijden van [oom]) in te trekken met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Bij datzelfde besluit heeft gedaagde de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 juni 2000 tot 1 oktober 2001 tot een bedrag van f 27.082,81 met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw van appellante teruggevorderd.

Het tegen het besluit van 13 december 2001 gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 april 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 23 april 2002 ingestelde beroep - met een beslissing omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2002 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand gelaten.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft daartoe in hoger beroep aangevoerd, dat bij het in aanmerking te nemen vermogen ten onrechte geen acht is geslagen op de vrijlatingsgrens en voorts ten onrechte geen rekening is gehouden met de door haar gestelde schulden en de premie van een particuliere ziektekostenverzekering.

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 april 2002.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Ingevolge artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw worden kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voorzover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn verleend indien de betrokkenen al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, moeten worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de Abw.

Of het bijstandverlenend orgaan op basis van dit artikel dient over te gaan tot terugvordering hangt af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de vermogensgrens als bedoeld in artikel 54 van de Abw overschrijden.

Indien wordt teruggevorderd wegens naderhand verkregen middelen in bovenvermelde zin verschaft artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw een zelfstandige grondslag voor terugvordering. In dergelijke gevallen past derhalve geen voorafgaande herziening of intrekking van het recht op bijstand met toepassing van artikel 69 van de Abw.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante aanspraak had op haar erfdeel vanaf de datum van overlijden van [oom] (hierna: de peildatum) en dat zij over de in geding zijnde periode een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Vaststaat verder dat appellante op 25 september 2001 de beschikking heeft gekregen over een bedrag van f 52.388,81, zodat er vanaf dat moment sprake is van in aanmerking ten nemen middelen in de zin van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Om te bezien of en in hoeverre gedaagde gehouden is een bedrag van appellante terug te vorderen, dient voorts nader te worden beoordeeld wat de vermogenssituatie van appellante op de peildatum is met inbegrip van het bedrag van f 52.388,81 en onder aftrek van de op de peildatum geldende vermogensgrens. Het bedrag wat resteert komt vervolgens voor terugvordering in aanmerking althans voorzover na de peildatum kosten van bijstand zijn gemaakt.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat van het op 25 september 2001 beschikbaar gekomen vermogen ingevolge artikel 54 van de Abw een bedrag van f 10.300,-- dient te worden vrijgelaten.

Ten aanzien van de door appellante gestelde schulden merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd dienen te worden met schulden waarvan het bestaan (op de peildatum) in voldoende mate aannemelijk is geworden en waarvan tevens vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. De Raad stelt vast dat de gestelde schuld van f 3.065,-- dateert van na de peildatum zodat daar reeds om die reden geen rekening mee kan worden gehouden. De overige schulden kunnen evenmin op het vastgestelde vermogen in mindering worden gebracht, reeds omdat niet gebleken is dat daaraan een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is verbonden.

Hetgeen appellante heeft gesteld ten aanzien van de premie van een particuliere ziektekostenverzekering kan de Raad niet volgen aangezien dit niet van invloed is op de vermogenssituatie op de peildatum. Los daarvan was appellante tijdens de in geding zijnde periode op grond van haar bijstandsuitkering verplicht ziekenfondsverzekerd en is (ook thans nog) niet gebleken dat zij ten tijde in geding daarnaast kosten voor een particuliere ziektekostenverzekering heeft gemaakt.
Gelet op het voorgaande is gedaagde gehouden over te gaan tot terugvordering van appellante van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 juni 2000 tot 1 oktober 2001.

Slotoverwegingen

Het voorgaande betekent dat de Raad het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 april 2002 in stand kunnen worden gelaten wat de terugvordering betreft, onderschrijft, zij het met verbetering van de gronden. De Raad ziet aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het intrekkingbesluit van 13 december 2001 te herroepen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten, behoudens voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 23 april 2002 wat de intrekking betreft in stand zijn gelaten;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Herroept het besluit van 13 december 2001 voorzover dit ziet op de intrekking;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 644,--, te betalen door de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten;
Bepaalt dat de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 82,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x