Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT3820
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een bril. Is er sprake van een voorliggende voorziening die passend en toereikend is? Het ziekenfonds heeft het geldende maximumbedrag vergoed.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/2468 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2003, reg.nr. 02/3132 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 19 maart 2002 gedaagde verzocht hem bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van een bril. De bril is door appellant aangeschaft voor een bedrag van 444,-- waarvan 112,-- voor het montuur en 166,-- voor elk van de glazen. Appellant is verplicht verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. Via de door hem afgesloten aanvullende verzekering (AV Plus) bij ZAO Zorgverzekeringen (ZAO) heeft appellant de voor deze bril maximale vergoeding van 201,93 ontvangen. Voor de resterende kosten ten bedrage van 242,07 heeft appellant de bijzondere bijstand aangevraagd.
Bij besluit van 25 maart 2002 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen op de grond dat de vergoeding van ZAO toereikend wordt geacht voor de aanschaf van een bril.

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2002 onder verwijzing naar de artikelen 6, 17 en 39, eerste lid, van de de Algemene bijstandswet (Abw) ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat sinds 1 januari 2001 ingevolge het gemeentelijk beleid met betrekking tot het verlenen van bijzondere bijstand in kosten van brillen en lenzen, vergoedingen uit de bijzondere bijstand nog slechts aan de orde zijn indien de betrokkene vaker dan in de AV is geregeld een nieuwe bril nodig heeft, of als de betrokkenen niet is aangesloten bij de collectieve verzekering van ZAO. Voorts is overwogen dat gelet op de hoogte van de vergoeding de AV wordt beschouwd als een passende en toereikende voorliggende voorziening en dat de kosten die de vergoeding te boven gaan als niet noodzakelijk worden beschouwd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 mei 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In dit geval staat vast dat appellant een beroep heeft gedaan op zijn aanvullende ziektekostenverzekering. In de voorwaarden van deze verzekering zijn voor de verschillende typen glazen (inclusief montuur) maximumbedragen opgenomen. Met deze bedragen, die zijn gebaseerd op prijsonderzoek, worden verzekerden geacht te kunnen voorzien in de kosten van de aanschaf van een bril, waarbij de verzekerden zelf een verdeling kunnen maken tussen de kosten van het montuur en de kosten van de glazen. Niet in geschil is dat het ziekenfonds aan appellant tot het voor hem geldende maximumbedrag vergoeding heeft verleend. Gelet daarop heeft gedaagde zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat deze vergoeding als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 6, aanhef en onder c, en artikel 17 van de Abw dient te worden beschouwd, die in dit geval passend en toereikend is.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Abw. Met name heeft appellant geen objectieve medische gegevens overgelegd, waaruit blijkt dat hij wegens een bijzondere oogafwijking is aangewezen op de door hem aangeschafte bril.

Uit het voorstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kon slagen en dat de aangevallen uitspraak voor beveiliging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x