Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT3980
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Woonplaats.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4250 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J.P. van Horne, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2003, reg.nr. 02/204 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en aan de Raad desgevraagd nadere stukken gezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 februari 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 20 april 1983 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

In de gemeentelijke basisadministratie stond appellant ten tijde hier van belang ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant aan de [adres 2] te Ulft samenwoonde met [partner] (hierna: [partner]) is een onderzoek door de sociale recherche verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 december 2000. Op grond van dat rapport heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant in ieder geval vanaf 1 april 1996 niet in de gemeente [woonplaats] heeft gewoond en in de gemeente Ulft een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner], zonder daarvan aan gedaagde mededeling te doen.

Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om het recht op bijstand van appellant bij besluit van 7 maart 2001 over de periode van 1 april 1996 tot en met 30 november 2001 (lees: 2000) te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 112.574,52 van hem terug te vorderen.

Bij besluit van 13 december 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 december 2001 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voor de gronden van het hoger beroep heeft hij verwezen naar hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat gedaagde aan het besluit van 13 december 2001 slechts ten grondslag heeft gelegd dat hij ten tijde van belang met [partner] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en niet dat hij buiten de gemeente [woonplaats] woonde. De rechtbank is volgens appellant buiten de omvang van het geding getreden door haar beoordeling te beperken tot de vraag of appellant in [woonplaats] woonachtig was, zodat de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden. Gedaagde heeft immers aan zijn besluitvorming mede ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde in geding niet in de gemeente [woonplaats] woonachtig is geweest. Dat blijkt niet alleen uit de redactie van de besluiten van 13 december 2001 en van 7 maart 2001, maar ook uit het feit dat het besluit van 13 december 2001 ter nadere motivering verwijst naar de ambtelijke rapportage voor de bezwaarschriftencommissie waarin artikel 63 van de Abw wordt genoemd als grond voor intrekking van het recht op bijstand.

Vervolgens stelt de Raad vast dat de rechtbank bij de toetsing van het besluit van 13 december 2001 de in beroep tegen dat besluit aangevoerde gronden heeft verworpen. Appellant heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd waarom de overwegingen van de rechtbank dienaangaande onjuist zijn. Deze vaststelling leidt de Raad, in samenhang met het voorgaande, tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x