Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT4332
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan omdat de te starten kapsalon niet kan worden beschouwd als een levensvatbaar bedrijf.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4602 BZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2003, reg.nr. NABW 03/71.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 maart 2005, waar partijen - na voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft op 10 december 2001 een aanvraag om bijstand ingediend voor bedrijfskapitaal en noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) voor het starten van een kapsalon.

Bij besluit van 21 mei 2002 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf.

Bij besluit van 19 november 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 november 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant is van mening dat hij, gelet op zijn inzet en jarenlange ervaring, in staat moet worden geacht een renderende kapsalon te exploiteren. Voorts meent appellant dat door [naam medewerker], medewerker van gedaagde, het vertrouwen is gewekt dat hij in aanmerking zou komen voor de gevraagde bijstand.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Abw wordt aan de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is, na beëindiging van die uitkering gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand verleend.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz wordt onder levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep verstaan: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.

Gedaagde heeft het ondernemingsplan van appellant onderzocht op levensvatbaarheid en hierbij gebruik gemaakt van de markt- en branche-informatie zoals opgenomen is “Cijfers en Trends” van de Rabobank (gemengde kapsalon), en afkomstig van de Koninklijke Algemene Nederlandse Kappersorganisatie. Op basis hiervan heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant in zijn ondernemingsplan ten opzichte van de branche-informatie een te hoge brutowinstmarge heeft begroot en een te hoge omzet per arbeidskracht, alsmede dat de huisvestingskosten van appellant in relatie tot de omzet hoger zijn dan hetgeen gebruikelijk is in de branche. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op basis van dit onderzoek terecht tot de conclusie is gekomen dat de kapsalon, zoals appellant die wil starten, niet levensvatbaar is. De enkele verwachting van appellant, zonder nadere cijfermatige onderbouwing, dat er wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

Met betrekking tot de grief van appellant dat hij op basis van de informatie van [naam medewerker] op een gunstig besluit mocht vertrouwen, is de Raad evenals de rechtbank op grond van de beschikbare gegevens niet gebleken.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005 .

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x