Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT5279
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bevoegdheid van de CRvB. Tijdigheid van de beroepen. Zo spoedig mogelijke doorzending. De onderhavige brieven zijn geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/2475 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wűnseradiel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 april 2003, reg.nr. 02/560 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij brief van 10 oktober 2001 (verder: brief 1) heeft gedaagde een op 5 oktober 2001 ingekomen verzoek van appellant afgewezen om een schriftelijk verslag van een op 27 september 2001 gehouden gesprek tussen de consulent sociale zaken van de gemeente Wűnseradiel S. Lautenbag (hierna: de consulent sociale zaken) en de [naam medewerker] van uitzendbureau [naam uitzendbureau].

Bij brief van 16 oktober 2001 (verder: brief 2) heeft gedaagde, naar aanleiding van een op 27 september 2001 ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht voor een procedure bij de kantonrechter wegens volgens appellant ten onrechte door [naam uitzendbureau] gegeven ontslag, appellant verzocht bewijsstukken betreffende deze werkgever te doen toekomen.

Bij brief van 7 januari 2002 (verder: brief 3) heeft gedaagde een op 17 december 2001 ingediend verzoek om een schriftelijk verslag van het gesprek tussen de consulent sociale zaken en de [naam medewerker] van [naam uitzendbureau] afgewezen.

Bij separate brief van eveneens 7 januari 2002 (verder: brief 4) heeft gedaagde, naar aanleiding van een op 20 december 2001 ingediende aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, appellant verzocht om uiterlijk op 16 januari 2002 het bedrijfsplan in te dienen.

Bij brief van 17 januari 2002 (verder: brief 5) heeft gedaagde appellant tot 1 februari 2002 de gelegenheid gegeven het bedrijfsplan in te dienen

Bij besluit van 12 februari 2002 (verder: besluit A) heeft gedaagde het bezwaar tegen de brieven 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij separaat besluit van eveneens 12 februari 2002 (verder: besluit B) heeft gedaagde het bezwaar tegen de brieven 4 en 5 eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten A en B ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Vooraf

In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is onder meer bepaald dat een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan - voorzover hier van belang - een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een dergelijke uitspraak van de rechtbank indien het gaat om een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in een bijlage bij de Beroepswet. De Raad stelt, ambtshalve, vast dat aan evengenoemde voorwaarde niet is voldaan voorzover bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond is verklaard tegen de in besluit A opgenomen niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren tegen de brieven 1 en 3. In zoverre is namelijk geen sprake van een besluit dat is genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Raad niet bevoegd is te oordelen over de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van appellant tegen de brieven 1 en 3. Het hogerberoepschrift van appellant zal, voorzover op dit onderwerp betrekking hebbend, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling worden doorgezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van appellant tegen de brieven 2, 4 en 5

De Raad acht zich wel bevoegd te oordelen over de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van appellant tegen de brieven 2, 4 en 5. Hij ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van de beroepen tegen de besluiten A en B voorzover daarbij de bezwaren tegen de brieven 2, 4 en 5 niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Appellant heeft bij brieven van 19 maart 2002 bij gedaagde gereageerd op de hem toegezonden besluiten A en B. Deze op 20 maart 2002 ingekomen brieven zijn, gelet op hun inhoud, aan te merken als beroepschriften. Gedaagde heeft deze beroepschriften eerst doorgezonden aan de rechtbank nadat appellant zich bij brief van 21 mei 2002 zelf tot de rechtbank had gewend en de griffier van de rechtbank om toezending van processtukken had verzocht. De rechtbank heeft de beroepen ontvankelijk verklaard en daarbij toepassing gegeven aan artikel 6:15, derde lid, (tekst vanaf 1 april 2002) van de Awb.

Op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt het beroepschrift dat is ingediend bij een onbevoegd orgaan, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Op grond van artikel VII, eerste lid, van de Eerste evaluatiewet Awb blijft ten aanzien van de doorzending van beroepschriften tegen besluiten als de onderhavige die vˇˇr 1 april 2002 zijn bekendgemaakt, artikel 6:15, derde lid, van de Awb, zoals dat luidde vˇˇr 1 april 2002 van toepassing. Ingevolge de oude tekst van deze bepaling is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend indien:
a. geen juiste toepassing aan artikel 6:23 van de Awb is gegeven,
b. het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, of
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

Het is de Raad niet gebleken dat zich in het onderhavige geval een van de situaties onder a, b of c heeft voorgedaan, zodat op zichzelf het tijdstip van indiening bij de rechtbank hier bepalend is voor de vraag of de beroepschriften tijdig zijn ingediend.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer 96/3047 AAW, LJN AN5717) betekent zo spoedig mogelijk doorzenden, bedoeld in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, dat de datum van doorzending van het beroepschrift in beginsel gelegen dient te zijn uiterlijk twee weken vanaf de dag waarop het beroepschrift bij het onbevoegde orgaan werd ontvangen. Het niet nakomen van deze verplichting behoort volgens de met betrekking tot artikel 6:15, derde lid (oud), van de Awb gevormde jurisprudentie in beginsel niet voor risico van de indiener van het beroepschrift te komen; in dergelijke gevallen moet worden uitgegaan van de uiterste datum waarop nog gesproken zou kunnen worden van een zo spoedig mogelijke doorzending. Aangezien de feitelijke doorzending van de beroepschriften van 19 maart 2002 geruime tijd na het verstrijken van de termijn van twee weken heeft plaatsgevonden en zonder dit verzuim de beroepschriften tijdig bij de rechtbank zouden zijn ingekomen, dient het ervoor worden gehouden dat de beroepen tijdig zijn ingesteld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank appellant terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft ontvangen in zijn beroepen tegen de besluiten A en B voorzover daarbij de bezwaren van appellant tegen de brieven 2, 4 en 5 niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Gedaagde heeft de bezwaren tegen de brieven 2, 4 en 5 niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brieven geen besluit zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Blijkens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Bij de brieven 2, 4 en 5 heeft gedaagde appellant, naar aanleiding van aanvragen om bijstand, verzocht om nadere gegevens. De Raad is van oordeel dat deze brieven niet kunnen worden aangemerkt als een besluit, nu deze brieven op zichzelf niet gericht zijn op enig rechtsgevolg. Hieruit vloeit voort dat gedaagde de bezwaren tegen de brieven 2, 4 en 5 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank de daartegen gerichte beroepen terecht ongegrond heeft verklaard. Hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht, leidt de Raad niet tot een oordeel.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard tegen de in besluit A opgenomen niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren tegen de brieven 1 en 3;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren tegen de brieven 2, 4 en 5.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van L. J÷rg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. J÷rg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x