Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT5410
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering hogere bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag. Niet is onderzocht of er sprake was van bijzondere omstandigheden die het toekennen van een hogere woonkostentoeslag rechtvaardigen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/1101 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 januari 2003, reg.nr. 00/1184 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met de reg.nrs. 03/1099 NABW en 03/1102 NABW, behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. J.L. Crutzen, kantoorgenoot van mr. Brauer, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Gijssens, werkzaam bij de gemeente Meerssen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is eigenaar van de door hem bewoonde woning.

Bij besluit van 29 september 1998 heeft gedaagde appellant over de periode van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 bijzondere bijstand in zijn woonkosten (woonkostentoeslag) toegekend ten bedrage van f 4,-- per maand. Bij de berekening van de woonkostentoeslag heeft gedaagde aansluiting gezocht bij de Huursubsidiewet.
Bij besluit van 4 februari 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 29 september 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2000 heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht en de proceskosten, het tegen het besluit van 4 februari 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 29 september 1998. Naar het oordeel van de rechtbank blijft het beleid van gedaagde, waarbij voor de vaststelling van de hoogte van de woonkostentoeslag wordt aangesloten bij de Huursubsidiewet, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling en heeft gedaagde, uitgaande van dat uitgangspunt, de woonkostentoeslag niet te laag vastgesteld. Niettemin heeft de rechtbank het besluit van 4 februari 1999 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd omdat gedaagde niet had onderzocht of er in het geval van appellant sprake is van bijzondere omstandigheden die het toekennen van een hogere woonkostentoeslag rechtvaardigen.

Appellant noch gedaagde heeft tegen de uitspraak van 14 maart 2000 hoger beroep ingesteld. Ter uitvoering van die uitspraak heeft gedaagde op 30 juni 2000 een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 29 september 1998 genomen; het bezwaar is andermaal ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juni 2000 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

In dit geding staat ter beoordeling de vraag of gedaagde met het besluit van 30 juni 2000 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2000.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De Raad is met gedaagde van oordeel dat de zeer slechte financiŽle situatie waarin appellant verkeert noch diens persoonlijkheidsstructuur zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant een hogere woonkostentoeslag had moeten worden toegekend.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x