Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT5413
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van de aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/1102 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 januari 2003, reg.nr. 00/1488 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met de reg.nrs. 03/1099 en 03/1101 NABW, behandeld ter zitting van 22 februari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. J.L. Crutzen, kantoorgenoot van mr. Brauer, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Gijssens, werkzaam bij de gemeente Meerssen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 14 juni 2000 heeft gedaagde de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van de aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor het jaar 2000 (hierna: de aanslag) ter hoogte van 251,40 afgewezen op de grond dat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die appellant dient de voldoen uit de hem toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 7 november 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2000 ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 7 november 2000 geen stand kan houden wegens een onjuiste grondslag, maar tevens overwogen dat verlening van bijzondere bijstand in dit geval afstuit op artikel 17 van de Abw. De rechtbank heeft vervolgens het beroep tegen het besluit van 7 november 2000, met een bepaling omtrent het griffierecht, gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 7 november 2000 in stand zijn gebleven. Appellant is van mening dat hij, gelet op zijn bijzondere omstandigheden, in aanmerking dient te komen voor bijzondere bijstand in de kosten van de aanslag.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft verzuimd in het dictum van de aangevallen uitspraak aan de gegrondverklaring van het beroep de gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te verbinden. Gezien de overwegingen van de rechtbank op dit punt beschouwt de Raad dit als een kennelijke misslag, waaraan geen consequenties behoeven te worden verbonden, mede in aanmerking genomen dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit van 7 november 2000 in stand kunnen blijven.

In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II van de Abw, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragrafen 2 en 3, van de Abw, en de aanwezige draagkracht.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat appellant, anders dan door hem is gesteld, de onderwerpelijke aanslag gedeeltelijk is kwijt gescholden. Voorzover appellant door deze gedeeltelijke kwijtschelding geen kosten heeft, is reeds op grond hiervan bijstandsverlening voor dat deel van de aanslag niet mogelijk. Voor het deel van de aanslag dat door appellant dient te worden voldaan, is de Raad met gedaagde van oordeel dat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het reguliere inkomen bestreden dienen te worden. Met kosten als hier aan de orde wordt in beginsel iedere belastingplichtige geconfronteerd. De door appellant aangevoerd omstandigheden houden geen verband met de kosten van de hem opgelegde heffing. Dat betekent dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw, zodat voor verlening van bijzondere bijstand in deze kosten geen plaats is. De aanvraag is derhalve op goede gronden afgewezen.

Gelet op het voorgaande kan het hoger beroep van appellant niet slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voorzover aangevochten.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x