Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT5468
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opschorting en beŽindiging van de bijstand op de grond dat betrokkene onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek inzake het recht op bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4644 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 31 juli 2003, reg.nr. SBR 03/420 en 03/1281VV.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 maart 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sedert 8 februari 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een (niet alleenwonende) alleenstaande.

Bij brief van 28 januari 2002 heeft gedaagde appellant verzocht om een meegezonden trajectplan binnen veertien dagen na ontvangst ondertekend aan gedaagde te retourneren. Tevens is hem daarbij de verplichting opgelegd medewerking te verlenen aan een onderzoek in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) en binnen 10 werkdagen na de verzending van het trajectplan een afspraak te maken met Pluswerk Zeist. Bij brief van 19 maart 2002 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat van hem niets is ontvangen en dat gebleken is dat appellant geen contact heeft opgenomen met Pluswerk Zeist. Daarbij is appellant tevens opgeroepen om op 22 maart 2002 om 9.00 uur een nadere uitleg te geven. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep. Bij brief van 27 maart 2002 heeft gedaagde appellant alsnog in de gelegenheid gesteld om op 3 april 2002 op het spreekuur te komen. Appellant is daar zonder bericht niet verschenen.

Gedaagde heeft naar aanleiding daarvan bij besluit van 3 april 2002 met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Abw het recht op bijstand van appellant met ingang van 3 april 2002 opgeschort. Daarbij is hem meegedeeld dat een nader onderzoek zal worden ingesteld naar de voortzetting van de bijstand hetgeen tot een verlaging of beŽindiging van de uitkering kan leiden. Tevens is aangekondigd dat, voordat hierover een besluit zal worden genomen, appellant op 10 april 2002 tussen 10:30 en 11:30 thuis zal worden bezocht door zijn contactpersoon samen met mw. R. Snip, trajectbemiddelaarster. Tenslotte is benadrukt dat deze brief de laatste poging is om met appellant in gesprek te komen.

Appellant heeft bij het aangekondigde huisbezoek door gedaagde, ook na herhaald bellen niet opengedaan. Bij besluit van 11 april 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant, onder toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw, met ingang van 3 april 2002 ingetrokken.

Bij besluit van 2 januari 2003 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 3 en 11 april 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 2 januari 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het opschortingsbesluit berust op toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Abw. Die bepaling verplicht gedaagde tot opschorting van het recht op bijstand indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek.

De Raad stelt vast dat appellant zonder aanwijsbare reden niet is verschenen op de oproepen van gedaagde, respectievelijk van 19 maart 2002 om op 22 maart 2002 te verschijnen en van 27 maart 2002 om op 3 april 2002 te verschijnen, welke oproepen verband hielden met een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellant in het kader van de Wet Rea. Door geen gehoor te geven aan de oproepen heeft appellant onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Abw. Dit verzuim valt appellant aan te rekenen. Gedaagde was derhalve gehouden het recht op bijstand op te schorten met ingang van 3 april 2002.

Het besluit tot intrekking van het recht op bijstand berust op toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw. Die bepaling verplicht gedaagde tot intrekking met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Vaststaat dat appellant niet heeft gereageerd op de oproep van gedaagde van 3 april 2002 om aanwezig te zijn tijdens het aangekondigde huisbezoek op 10 april 2002, hoewel hij er uitdrukkelijk op was gewezen dat dit de laatste poging was om met hem in gesprek te komen en dat een onderzoek zou worden gedaan naar de voortzetting van de bijstand. Dit verzuim valt appellant zwaar aan te rekenen. De Raad gaat er daarbij van uit dat appellant, gelet op de tekst en strekking van de brief van 3 april 2002, voldoende duidelijk moet zijn geweest tot welke verstrekkende consequenties het niet verlenen van medewerking zou leiden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat gedaagde het recht op bijstand van appellant terecht overeenkomstig het imperatieve voorschrift van artikel 69, vierde lid, van de Abw met ingang van 3 april 2002 heeft ingetrokken.

Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. van den Munckhof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x