Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT5877
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/6518 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 19 november 2002, reg.nr. Awb 02/1708.

Namens gedaagde heeft mr. B. Molenaar, advocaat te Rhenen, een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding met het nummer 03/6228 NABW tussen appellant en [partner], behandeld ter zitting van 5 april 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.F.M. Peusen, werkzaam bij de gemeente Ede, en waar gedaagde aanwezig was, bijgestaan door mr. Molenaar. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde gedingen weer gesplitst. In dit geding wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontving van appellant een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Nadat bij appellant het vermoeden was gerezen dat gedaagde samenwoont met [partner], heeft de Sociale Recherche van de gemeente Ede onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde verleende bijstand. Op grond van het resultaat van dit onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat gedaagde in de periode van 1 juni 1996 tot 1 december 1999 en van 1 maart 2001 tot 1 september 2001 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner]. Bij besluit van 29 oktober 2001 heeft appellant de bijstandsuitkering van gedaagde met ingang van 1 september 2001 beëindigd, het recht van gedaagde op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 december 1999 en van 1 maart 2001 tot 1 september 2001 ingetrokken, en de vanaf 1 november 1996 gemaakte kosten van bijstand van gedaagde teruggevorderd tot een bedrag van f 84.275,91.

Bij besluit van 27 februari 2002 heeft appellant de tegen het besluit van 29 oktober 2001 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 23 april 2002 is, onder meer, het door gedaagde tegen het besluit van 27 februari 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen - samengevat - dat er weliswaar aanwijzingen zijn van een gezamenlijk hoofdverblijf van gedaagde en [partner], maar dat slechts kan worden vastgesteld dat het leven van alle dag van [partner] zich zowel in diens ouderlijk huis als in de woning van gedaagde heeft afgespeeld, en dat het in de rede had gelegen dat appellant nader onderzoek zou hebben verricht, zoals een (tweede) huisbezoek en een buurtonderzoek.

Bij besluit van appellant van 2 juli 2002 zijn de bezwaren tegen het besluit van 29 oktober 2001 opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij is in aanmerking genomen dat gedaagde de sociale recherche niet heeft toegestaan bij haar een huisbezoek te verrichten, dat evenmin een bezoek heeft kunnen plaatsvinden in het ouderlijk huis van [partner], dat gedaagde tijdens de nadere hoorzitting heeft verklaard dat de zich bij de stukken bevindende verklaring - ofschoon zij deze niet heeft ondertekend - weergeeft wat zij heeft verklaard, alsmede dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat geen buurtonderzoek heeft plaatsgevonden.

Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover in dit geding van belang, het tegen het besluit van 2 juli 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 23 april 2002 is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld - samengevat - dat voor het standpunt van appellant dat gedaagde en [partner] gedurende de in geding zijnde perioden hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van gedaagde in de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende grondslag kan worden gevonden. De Raad stelt vast dat appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. Voorzover appellant in de onderhavige procedure grieven heeft gericht tegen die uitspraak, dienen deze derhalve buiten beschouwing te blijven. Die uitspraak heeft immers gezag van gewijsde gekregen, zodat de Raad bij de beoordeling van het ter uitvoering van deze uitspraak genomen nieuwe besluit op bezwaar moet uitgaan van de juistheid van het door de voorzieningenrechter gegeven oordeel over de beroepsgronden van gedaagde. Het voorgaande brengt tevens mee dat appellant bij het geven van uitvoering aan de opdracht om een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde te nemen, niet op basis hetzelfde feitenmateriaal opnieuw tot handhaving van het besluit van 29 oktober 2001 kon komen.

De Raad is van oordeel dat appellant geen gegevens heeft aangedragen op basis waarvan thans wel kan worden geoordeeld dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf van gedaagde en [partner] gedurende de in geding zijnde perioden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Vooropgesteld wordt dat, voorzover appellant in voormelde uitspraak van 23 april 2002 een verzoek of een opdracht van de voorzieningenrechter heeft gezien om alsnog huisbezoeken af te leggen en/of een buurtonderzoek in te stellen, zulks berust op een onjuiste lezing van die uitspraak. Wat daar verder van zij, appellant heeft in deze uitspraak aanleiding gevonden voor het doen instellen van een nader onderzoek door de sociale recherche. In dat kader is op 13 mei 2002 een bezoek gebracht aan de woning van gedaagde en op 15 mei 2002 aan het ouderlijk huis van [partner]. Vaststaat dat ter gelegenheid van deze bezoeken geen nieuwe informatie aan het licht is gekomen. Aan het gegeven dat gedaagde de betrokken rechercheurs toen niet in haar woning heeft toegelaten, komt voor dit geding onvoldoende betekenis toe, aangezien de bevindingen van een dergelijk huisbezoek op zichzelf niet meer van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of [partner] in de thans in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf bij gedaagde heeft gehad. In dit verband is verder van belang dat gedaagde bij die gelegenheid niet opnieuw een verklaring heeft afgelegd over het verblijf van [partner] in haar woning. Voorts heeft de vader van [partner] op 15 mei 2002 tegenover de betrokken rechercheurs verklaard bij zijn verklaring van 6 september 2001 te blijven. Uit de nadere rapportage van de sociale recherche van 15 mei 2002 blijkt ten slotte dat destijds wel een buurtonderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat dit onderzoek geen bruikbare getuigenverklaringen heeft opgeleverd.

Aan het voorgaande doet niet af hetgeen gedaagde tijdens de hoorzitting bij de Commissie voor de Bezwaarschriften van 14 juni 2002 over de door haar tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring heeft gezegd. Dat brengt weliswaar mee dat, anders dan in de uitspraak van 23 april 2002 is overwogen, aan de omstandigheid dat gedaagde deze verklaring niet heeft ondertekend thans geen betekenis meer toekomt, maar de voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 23 april 2002 ook geoordeeld dat uit de inhoud van die verklaring niet zonder meer kan worden afgeleid dat [partner] zijn hoofdverblijf bij gedaagde had. In aanmerking genomen dat gedurende de nieuwe bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een ander licht op deze verklaring werpen, is in de thans aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat dit niet anders is komen te liggen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Al hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Ede aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van de gemeente Ede een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter, en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.

(get.) C. van Viegen.

(get.) S.W.H Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x