Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT5990
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/5143 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. H.G.B. van der Wal, advocaat te Veendam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 september 2003, reg.nr. 02/676.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H.P.H. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Menterwolde.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant is met ingang van 24 maart 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 11 oktober 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2001 beëindigd. Bij (separaat) besluit van 11 oktober 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand over de periode van 24 maart 2000 tot en met 31 augustus 2001 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 38.168,74 van hem teruggevorderd. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellant niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 14 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 11 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 14 juni 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid):

“De rechtbank stelt op grond van het onderzoeksrapport van de Sociale Recherche vast dat door eiser niet is ontkend dat hij geen opgave heeft gedaan van de werkzaamheden en inkomsten met betrekking tot zijn activiteiten op de rommelmarkt. Voorts heeft eiser (met uitzondering van de aanvraag van 30 maart 2000, toen eiser heeft opgegeven dat hij twee auto’s op naam had staan, terwijl dat er vier waren) geen opgave gedaan van de op zijn naam staande auto’s en van de reparatie- en handelsactiviteiten.

De rechtbank is van oordeel dat buiten twijfel staat dat de betreffende activiteiten op geld waardeerbare werkzaamheden zijn, waarvan eiser opgave moet doen (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 augustus 2002, JABW 2002/85). Dat deze activiteiten voor eiser een hobbymatig karakter hebben, hij daaruit wel of geen winst heeft behaald en dat deze activiteiten zijn bedoeld om eiser op het rechte pad te houden, kan daaraan niet afdoen.

Voor zover eiser heeft betoogd dat hij in bepaalde periodes niet op de rommelmarkt in de Sorghvliethal te Veendam heeft gestaan, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de algemene bewoordingen van bij de sociale recherche afgelegde verklaringen, de verklaring van F. de Boer en de door de vader van eiser ter zitting afgelegde verklaring, mogelijk zo is dat eiser niet in de gehele in geding zijnde periode op de rommelmarkt in de Sorghvliethal heeft gestaan. Relevant is dat voor de uiteindelijke beoordeling van deze zaak echter niet, nu eiser over de gehele periode auto’s op zijn naam heeft gehad en daaraan werkzaamheden - en derhalve op geld waardeerbare activiteiten - heeft verricht.

Door geen melding te maken van deze werkzaamheden heeft eiser de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, op hem rustende inlichtingenplicht geschonden met - gelet ook op het feit dat nergens een administratie van is bijgehouden - als gevolg dat het recht op bijstand over de periode in geding niet is vast te stellen. Voor het vaststellen van een fictief inkomen door aan te haken bij het moment waarop diverse auto’s volgens de RDW-opgave op naam van een ander zijn overgegaan, is gelet daarop geen ruimte.

In het voorgaande ligt besloten dat eiser in de in geding zijnde periode geen recht op bijstand had, zodat verweerder, met betrekking tot het tijdvak 24 maart 2000 tot 1 september 2001 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, terecht tot herziening van het recht op bijstand van eiser is overgegaan en terecht de uitkering op grond van het bepaalde in artikel 65, eerste lid, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft beëindigd. Dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om af te zien van herziening of intrekking van de uitkering zijn niet gesteld.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over genoemd tijdvak is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat verweerder verplicht was tot terugvordering van de aan eiser over die periode verleende bijstand over te gaan. De namens eiser naar voren gebrachte omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan verweerder bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.”

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten in vergelijking met hetgeen in beroep bij de rechtbank is aangevoerd. Hij acht geen aanknopingspunten aanwezig om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de voormelde - en aan dit oordeel ten grondslag gelegde - overwegingen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x