Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT6674
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schuld in verband met verstrekt bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening. Terugvordering. De kantonrechter heeft de aflossingscapaciteit op nihil gesteld. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden in het kader van de uitleg van artikel 86 van de Abw.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4962 NABW en 03/4963 NABW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft mede namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 28 augustus 2003, reg.nr. 03/876.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vervolgens nog een aanvulling op het beroepschrift, met bijlagen, aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 april 2005, waar appellanten in persoon zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A. van der Brug, werkzaam bij de gemeente Zwolle.




II. MOTIVERING


Appellante en haar ex-echtgenoot [naam ex-echtgenoot] hebben een schuld aan de gemeente Zwolle in verband met op 7 mei 1980 verstrekt bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening. Ter zake van de invordering van die schuld heeft de kantonrechter te Zwolle bij beschikking van 3 april 1997 bepaald dat de gemeente Zwolle met ingang van 15 april 1997 maandelijks een bedrag, dat gelijk is aan het verschil tussen de beslagvrije voet en het netto-inkomen, ten laste van appellante en [naam ex-echtgenoot] kan invorderen, totdat een totaalsom van 28.333,40 zal zijn voldaan, een en ander met dien verstande dat betaling door de een de ander zal bevrijden.

Met inachtneming van de evenvermelde beschikking van de kantonrechter heeft gedaagde bij brief van 2 mei 1997 besloten de aflossingscapaciteit van appellante op nihil te stellen.

In het kader van een in november 2002 gestart heronderzoek heeft gedaagde aan appellante verzocht om met het oog op de invordering van de nog openstaande schuld mede opgave te doen van het inkomen van appellant, haar huidige echtgenoot. Appellante heeft niet aan dit verzoek voldaan, ook niet nadat zij nog gewezen was op het mogelijke verlies van de bescherming van de beslagvrije voet. Appellante heeft volstaan met de opgave van haar eigen inkomsten.

Bij besluit van 17 december 2002 heeft gedaagde appellanten wegens verzuim van de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 86, tweede lid, van de Algemene bijstandswet, in gebreke gesteld en heeft gedaagde de totale som van een nog openstaande schuld van 8.290,45 van appellanten opgeist.

Bij besluit van 2 juli 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2002 in zoverre gegrond verklaard dat van terugvordering ineens wordt afgezien en het aflossingsbedrag wordt vastgesteld op 400,-- per maand, ingaande 1 juli 2003. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 juli 2003 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover hierbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 17 december 2002, LJN AF3033) strekt artikel 86 van de Abw zich ook uit tot gevallen waarin het gaat om terugvordering van kosten van bijstand, welke geheel betrekking hebben op tijdvakken gelegen vr 1 juli 1997 en waarover de burgerlijke rechter heeft geoordeeld. Er dient dan echter wel sprake te zijn van een veranderde omstandigheid op grond waarvan aanpassing van de wijze van invordering aan de orde is. De Raad stelt vast dat hiervan in het onderhavige geval niet is gebleken. Gedaagde heeft ook niet kunnen aangeven wat er sedert de beschikking van de kantonrechter van 3 april 1997 in de (financile) situatie van appellante is gewijzigd.

Hierbij moet worden aangetekend dat gedaagde ten tijde van de nihilstelling van de invordering op 2 mei 1997 uitsluitend de inkomsten van appellante in aanmerking heeft genomen. Hoewel het gedaagde toen bekend was dat appellanten met elkaar gehuwd waren en dat appellant over inkomsten beschikte, heeft gedaagde destijds geen aanleiding gezien om bij de berekening van het maandelijks in te vorderen bedrag ook de inkomsten van appellant te betrekken. Dat gedaagde in de loop der tijd tot een ander inzicht is gekomen, kan niet als een veranderde omstandigheid als vorenbedoeld worden beschouwd. Ook overigens is van een zodanige omstandigheid niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde niet bevoegd is een wijziging aan te brengen in de door de kantonrechter in zijn beschikking van 3 april 1997 vastgestelde wijze van invordering van de onderhavige schuld.

Het besluit van 2 juli 2003 is dan ook in strijd met de wet genomen en moet om die reden worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit geheel in stand is gelaten.

De Raad heeft voorts aanleiding gevonden om het besluit van 17 december 2002, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te herroepen.

Ten overvloede wijst de Raad appellanten erop dat het vorenstaande op zich niet afdoet aan de mede aan appellante bij beschikking van de kantonrechter opgelegde verplichting tot terugbetaling van de schuld aan gedaagde. Mocht appellante inmiddels reeds tot terugbetaling van het restantbedrag zijn overgegaan, dan is derhalve van onverschuldigde betaling in deze geen sprake.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op 46,88 in hoger beroep voor gemaakte reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 2 juli 2003;
Herroept het besluit van 17 december 2002;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van 46,88;
Bepaalt dat de gemeente Zwolle aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 118,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x