Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT6703
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opschorting en intrekking van de bijstand wegens het niet verschijnen op een afspraak zonder bericht van verhindering. Verblijf in Suriname. Heeft de gemeente in de bezwaarprocedure het intrekkingsbesluit heroverwogen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/1944 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwijndrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 28 maart 2003, reg.nr. AWB 02/516.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 maart 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C.M.T. de Paepe, werkzaam bij de gemeente Zwijndrecht.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Nadat aan gedaagde was gebleken dat appellant in Suriname verbleef, is de uitbetaling van de uitkering van appellant bij besluit van 31 januari 2002 per 1 januari 2002 opgeschort en is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 5 februari 2002.
Toen appellant zonder bericht van verhindering niet was verschenen, heeft gedaagde bij besluit van 5 februari 2002 op grond van artikel 69, eerste lid, onder b, van de Abw de opschorting per 1 januari 2002 gehandhaafd. Aan appellant is daarbij tot en met 7 februari 2002 de gelegenheid gegeven zijn verzuim te herstellen.
Appellant heeft aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven waarna gedaagde bij besluit van 7 februari 2002 met toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw het recht op uitkering per 1 januari 2002 heeft ingetrokken.

Het tegen het intrekkingsbesluit van 7 februari 2002 gerichte bezwaarschrift van 1 maart 2002 van appellant is, zoals door gedaagde in het verweerschrift is aangegeven en ter zitting van de Raad bevestigd, ten onrechte behandeld als een bezwaarschrift tegen het opschortingsbesluit van 5 februari 2002.
Vanwege een onjuist gedateerde computeruitdraai verkeerde gedaagde in de veronderstelling dat het intrekkingsbesluit van 14 maart 2002 dateerde.

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft gedaagde het bezwaar, opgevat als zijnde gericht tegen het besluit van 5 februari 2002, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 mei 2002 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een rechtens te honoreren belang.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat gedaagde bij het besluit van 14 mei 2002 niet op het tegen het intrekkingsbesluit van 7 februari 2002 gerichte bezwaarschrift van appellant heeft beslist.
Dit besluit strijdt derhalve met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hierbij volgt dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep tegen het besluit van 14 mei 2002 gegrond dient te worden verklaard en dit besluit dient te worden vernietigd.
Gedaagde dient alsnog een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2002 te nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 322,- in beroep en op 322,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 14 mei 2002;
Bepaalt dat gedaagde een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2002 neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 644,- , te betalen door de gemeente Zwijndrecht aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Zwijndrecht aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 116,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x