Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT6926
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak:
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om schadevergoeding wegens onheuse bejegening en slordig omgaan met privacygevoelige gegevens.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/1989 NABW-VV




U I T S P R A A K




op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. INLEIDING


Bij brief van 15 december 2004 heeft verzoeker hoger beroep ingesteld (bij de Raad aanhangig onder reg.nr. 04/6872 NABW) tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2004, reg.nrs. 04/4124 NABW en 04/5514 NABW.

Bij brief van 18 maart 2005 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 4 april 2005 heeft verzoeker nadere stukken aan de Raad gezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.




II. MOTIVERING


Uit de gedingstukken blijkt dat verzoeker op 18 december 2002 gedaagde heeft verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen van in totaal € 9.000.000,--. Verzoeker, die van gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet ontvangt, is van mening dat gedaagde hem onheus heeft bejegend en slordig is omgegaan met privacygevoelige gegevens van hem. Bij brief van 21 maart 2003 heeft gedaagde het verzoek afgewezen. Het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voorzover hier van belang, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 19 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad (vgl. de uitspraak van 2 december 2003, gepubliceerd in AB 2004, nr. 186) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

In het verzoekschrift heeft verzoeker vermeld dat de noodzaak tot het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarin is gelegen, dat hij in grote problemen zit en de situatie voor hem niet te verdragen is. De voorzieningenrechter ziet in deze niet onderbouwde stelling van verzoeker geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G. Simons, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x