Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT7543
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Boeteoplegging. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4282 NABW en 03/4283 NABW



U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juli 2003, reg.nr. 02/293 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant, hoewel door de Raad ambtshalve opgeroepen om in persoon te verschijnen, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Groenewegen, werkzaam bij de gemeente Leiden.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 3 april 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van [naam partner] (hierna: [naam partner]) over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 mei 2000 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij verzwegen heeft dat zij over die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 4.851,38 bruto van haar teruggevorderd. Verder heeft gedaagde bij besluit van 12 april 2001 aan [naam partner] een boete opgelegd van f 500,--.

Bij besluit van 3 april 2001 heeft gedaagde het bedrag van f 4.851,38 met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) mede van appellant teruggevorderd.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 8 januari 2002 heeft gedaagde de door appellant en [naam partner] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 3 april en 12 april 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant en [naam partner] tegen de besluiten van 8 januari 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad had duidelijkheid willen verkrijgen omtrent de vraag of appellant mede namens [naam partner] hoger beroep had ingesteld. Om die reden zijn appellant en [naam partner] opgeroepen om in persoon ter zitting te verschijnen, zoals ook is aangeven in de oproepingen. Appellant noch [naam partner] hebben aan die oproep gehoor gegeven, waaruit de Raad op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen. De Raad is tot de slotsom gekomen dat appellant niet mede namens [naam partner] hoger beroep heeft ingesteld. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellant ter zake van het besluit tot herziening (lees: intrekking) van het recht op uitkering van [naam partner], het besluit tot terugvordering van deze persoon en het besluit waarbij aan haar een boete is opgelegd volgens vaste jurisprudentie van de Raad geen belanghebbende is.

Met betrekking tot het in hoger beroep aan de orde zijnde besluit tot terugvordering van appellant is het volgende van belang.

Artikel 84, tweede lid, van de Abw bepaalt - voorzover hier van belang - dat, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat in het onderhavige geval appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [naam partner] rekening had moeten worden gehouden, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met [naam partner] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw heeft gevoerd. Nu appellant het gevoerd hebben van een gezamenlijke huishouding over de in geding zijnde periode betwist, staat in dit geding ter beoordeling van de Raad of daarvan sprake is geweest.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Op grond van de onderzoeksbevindingen staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat appellant en [naam partner] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw. De Raad kent daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de door hen beiden op 1 april 2000 tegenover de Woningstichting “Ons Doel” afgelegde schriftelijke verklaring dat zij vanaf 1 april 2000 een gezamenlijke huishouding voeren. Tevens heeft de Raad van belang geacht dat op 1 april 2000 door hen beiden een huurovereenkomst met ingang van die datum voor de woning aan het adres Bosrode 33 te Leiden is ondertekend, en dat met ingang van die datum eveneens op beider naam een huisvestingsvergunning voor de betreffende woning is afgegeven.

Nu op grond van de gedingstukken in de onderhavige zaak, waaronder de in rechte vaststaande uitspraak van de rechtbank inzake [naam partner], en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gezamenlijke huishouding voorts vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [naam partner] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Gedaagde was derhalve gehouden de kosten van de ten onrechte aan [naam partner] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering van appellant af te zien, is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x