Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT7574
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand. Kon betrokkene redelijkerwijs begrijpen dat de verleende bijstand zou worden teruggevorderd nu deze was verleend op grond van een uitspraak van de voorzieningenrechter?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1407 NABW




U I T S P R A A K



in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 februari 2004, reg.nr. 02/784 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok en A.M. Smeenk, beiden werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 18 juli 2001 heeft gedaagde de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen onder verwijzing naar artikel 7, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij aan de president van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 28 augustus 2001 heeft de president van de rechtbank Groningen dit verzoek toegewezen en een voorlopige voorziening getroffen. Gedaagde werd in dat kader opgedragen om met ingang van 1 juli 2001 aan appellant bijstand toe te kennen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Bij besluit op bezwaar van 8 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2001 ongegrond verklaard. Door de president van de rechtbank is het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2001 ongegrond verklaard en in hoger beroep is deze uitspraak door de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 26 maart 2002 bevestigd.

Bij besluit van 17 april 2002 heeft gedaagde de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2001 tot en met 19 november 2001 op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van appellant teruggevorderd. Hierbij heeft gedaagde overwogen dat op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 26 maart 2002 vaststaat dat aan appellant over genoemde periode ten onrechte bijstand is verleend.

Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant is in zijn geval niet artikel 81, eerste lid, van de Abw van toepassing maar artikel 81, tweede lid, van de Abw. Voorts meent appellant dat terugvordering niet aan de orde kan zijn omdat hij niet redelijkerwijs kon begrijpen dat de verleende bijstand zou worden teruggevorderd nu deze was verleend op grond van een rechterlijke uitspraak.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 16 maart 2002 de grondslag is komen te ontvallen aan de betalingen aan appellant over de periode van 1 juli 2001 tot en met 19 november 2001. Dit brengt achteraf bezien mee dat over deze periode onverschuldigd aan appellant is betaald.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw bepaalt dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende wordt teruggevorderd. Ingevolge artikel 81, tweede lid, van de Abw wordt hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 30 maart 2004, LJN AO7655, biedt artikel 81, tweede lid, van de Abw een wettelijke grondslag voor terugvordering van bijstand in gevallen als het onderhavige, waarin ter uitvoering van een uitspraak van de president (sinds 1 januari 2002 voorzieningenrechter genoemd) op een verzoek om een voorlopige voorziening bijstand is verleend en deze bijstand, gelet op de in hoger beroep uiteindelijk gegeven uitspraak, onverschuldigd blijkt te zijn betaald.

Het besluit van 19 augustus 2002 berust derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag nu dit is gebaseerd op artikel 81, eerste lid, van de Abw. De Raad zal - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2002 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat gedaagde gehouden was de gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 81, tweede lid, van de Abw terug te vorderen. Het standpunt van appellant dat hij redelijkerwijs niet kon begrijpen dat deze kosten teruggevorderd zouden worden, wordt door de Raad niet gedeeld. Appellant moest er rekening mee houden dat achteraf zou blijken dat hem over de periode van 1 juli 2001 tot en met 19 november 2001 ten onrechte bijstand was verleend, omdat het hier bijstand betrof die door gedaagde aan appellant (voorlopig) werd betaald ter uitvoering van een uitspraak van de president van de rechtbank.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en op 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 augustus 2002;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 966,-- , te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 131,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x