Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT7703
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten uit werkzaamheden in een horecazaak.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/3173 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. S.I. Henny, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 mei 2003, reg.nr. 02/414 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.Th.L. van der Meulen, advocaat te Arnhem en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Y.M.W. van Kempen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Als getuige is door appellant bij deurwaardersexploit opgeroepen en ter zitting gehoord [getuige], wonende te [woonplaats 2].




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 24 juni 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellant in de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 januari 2000 werkzaamheden in restaurant [naam restaurant] heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen, heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellant. In het kader van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 22 augustus 2001, is informatie ontvangen van Accountants-, Administratie- en Belastingadviesburo “De Vondel” & Partners en zijn appellant en zijn echtgenote gehoord.

Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 januari 2000 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien. Daarbij is aangegeven dat aan appellant tot een te hoog bedrag bijstand is verleend doordat hij geen melding heeft gemaakt van de door hem verrichte werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten. Tevens heeft gedaagde de over de hiervoor vermelde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 18.447,47 van appellant teruggevorderd met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw.

Op 30 november 2001 is [getuige], een van de eigenaren van restaurant [naam restaurant] te Eindhoven, door de sociale recherche gehoord en is het rapport van 22 augustus 2001 aangevuld.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2001 ongegrond verklaard, met de aanvulling dat tevens wordt teruggevorderd op grond van artikel 84, eerste lid, van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van gedaagde dat appellant in de in geding zijnde periode in dienst van [naam restaurant] werkzaamheden heeft verricht en dat hij daaruit inkomsten heeft ontvangen. Evenals gedaagde en de rechtbank neemt de Raad daarbij in aanmerking de inlichtingen van de Belastingdienst en de afschriften van de loonstroken die op naam van appellant zijn gesteld, onder vermelding van diens sofinummer, alsmede de door [getuige] op 30 november 2001 afgelegde verklaring, waaruit kan worden afgeleid dat appellant vanaf mei 1998 tot en met januari 2000 in zijn restaurant heeft gewerkt.

Appellant heeft betoogd dat hij slecht één dag ter oriëntatie in restaurant [naam restaurant] is geweest en dat er misbruik van zijn sofinummer moet zijn gemaakt. De Raad kan zich op dit punt verenigen met het oordeel van de rechtbank - en met de daartoe gebezigde overwegingen - dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat niet hij, maar een ander de door gedaagde gestelde werkzaamheden heeft verricht en dat hij geen inkomsten heeft ontvangen. De Raad heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant bij de desbetreffende instanties melding heeft gemaakt van het vermeende misbruik van zijn sofinummer. De ter zitting van de Raad door getuige [getuige] afgelegde verklaring brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat appellant in de in geding zijnde periode niet in restaurant [naam restaurant] heeft gewerkt.

Van de in de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 januari 2000 verrichte werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten heeft appellant geen mededeling aan gedaagde gedaan. Op grond daarvan staat vast dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Een en ander leidt tot de slotsom dat gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 januari 2000 terecht heeft herzien. De Raad ziet in het geval van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde verplicht was tot terugvordering van de te veel verleende bijstand over te gaan. Aangezien niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, was gedaagde niet bevoegd om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter, en mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.C.Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x