Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT7708
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten betrokkene niet langer ontheffing te verlenen van de verplichting om naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/3801 NABW



U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 juni 2003, reg.nr. 02/688 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk aan de Raad gezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 mei 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant is bij besluit van 5 juni 1998 tijdelijk ontheffing verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij is hem wel de verplichting opgelegd zich te melden bij het CAD en volledig mee te werken aan een voor hem opgesteld programma.

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft gedaagde na heronderzoek aan appellant meegedeeld dat de bijstand wordt voortgezet en dat de eerder verleende ontheffing is ingetrokken, zodat voor appellant voortaan weer alle in artikel 113, eerste lid, van de Abw opgenomen verplichtingen gelden. Gedaagde heeft zich daarbij gebaseerd op adviezen van de arts J.R.H. Bosch en van de psycholoog M. Brugmans, beiden werkzaam bij de GGD Oostelijk Zuid-Limburg. Blijkens die adviezen is appellant arbeidsgeschikt geacht met enige beperkingen.

Bij besluit van 2 april 2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 17 januari 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 april 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 113, eerste lid, van de Abw zijn de verplichtingen opgenomen die gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige bestaansvoorziening is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Artikel 107, eerste lid, van de Abw biedt de mogelijkheid de verplichtingen als bedoeld in dit hoofdstuk niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde zijn besluit om appellant niet langer ontheffing te verlenen van de verplichting om naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw) en passende arbeid te aanvaarden (artikel 113, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw) heeft kunnen en mogen baseren op de hierboven vermelde adviezen van de GGD van respectievelijk 17 september 2001 en 14 december 2001. De Raad is niet gebleken dat deze adviezen wat betreft hun wijze van totstandkoming en/of inhoud niet deugdelijk zijn. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om anders te oordelen. Daarbij heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat appellant geen objectieve medische gegevens in het geding heeft gebracht, terwijl evenmin is gebleken dat appellant ten tijde in geding (nog) onder medische behandeling stond.

Voor het benoemen van een deskundige bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x