Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT8019
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verlenging verblijfsvergunning voor een Turk. Is de beŽindiging van de bijstand terecht? De gelijkstelling met een Nederlander eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag voor verblijfsvergunning of het bezwaar of het beroep daartegen is beslist.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4358 NABW



U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2003, reg.nrs. VNABW 03/1955 en NABW 03/902.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. S. van Gent, werkzaam bij de gemeente Schiedam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, van Turkse nationaliteit, ontving vanaf 12 juni 1994 een uitkering, eerst op grond van de op de Algemene Bijstandswet gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), nadien op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Op 5 januari 1995 heeft appellant verzocht om verlenging van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. Deze aanvraag is bij besluit van 16 oktober 1996 afgewezen. Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie het daartegen ingediende administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Bij uitspraak van 26 augustus 1998 heeft de rechtbank ís-Gravenhage, zitting houdend te Haarlem, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 1997 vernietigd en opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op het administratief beroepschrift van 6 december 1997. De Staatssecretaris van Justitie heeft bij besluit van 1 december 1998 het administratief beroep tegen het besluit van 16 oktober 1996 opnieuw ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ís-Gravenhage, zitting houdend te Haarlem, bij uitspraak van 30 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Voorts is een nieuwe aanvraag van appellant om vergunning tot verblijf met als doel medische behandeling bij besluit van 13 november 2000 buiten behandeling gesteld. Daartegen is bezwaar gemaakt. Tevens is verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 31 mei 2001 heeft de president van de rechtbank ís-Gravenhage het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het ingediende bezwaar is door de Staatssecretaris van Justitie bij besluit van 2 juli 2003 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van appellant met toepassing van artikel 7, tweede lid, van de Abw met ingang van 1 mei 2002 beŽindigd omdat appellant vanaf 1 december 1998 niet rechtmatig in Nederland verblijft.

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover in dit geding van belang, het beroep tegen het besluit van 25 februari 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Met de Nederlander wordt op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat appellant op 1 mei 2002 geen rechtmatig verblijf in Nederland had als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, van de Vreemdelingenwet 2000. Evenmin had appellant rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 onder l, van de Vreemdelingenwet 2000, aangezien hij ten tijde van belang niet een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer was in de zin van artikel 6 van Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. Appellant kon dan ook niet op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw met een Nederlander worden gelijkgesteld.

Voorts wordt op grond van artikel 7, derde lid, van de Abw en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg (tekst tot 1 januari 2003) de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden, voor de toepassing van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld indien hij vůůr de beŽindiging van het rechtmatig verblijf een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend. Deze gelijkstelling eindigt echter zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist.

Met de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 30 augustus 2000 is definitief komen vast te staan dat het verzoek om voortgezette toelating terecht niet is ingewilligd. Tengevolge daarvan is er geen grond meer om appellant op grond van artikel 7, derde lid, van de Abw en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg voor de toepassing van de Abw met een Nederlander gelijk te stellen. Het enkele gegeven dat appellant op 1 mei 2002 in afwachting was van een besluit op bezwaar tegen het besluit van 13 november 2000 maakt dit niet anders. Van omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen is de Raad niet gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat appellant (in ieder geval) op 1 mei 2002 niet tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 7 van de Abw behoorde en daarom geen recht (meer) heeft op een bijstandsuitkering. Nu niet is gebleken van een andere regel van internationaal of supranationaal recht waaraan appellant aanspraak op bijstand kon ontlenen heeft gedaagde de uitkering van appellant naar het oordeel van de Raad terecht met ingang van 1 mei 2002 beŽindigd.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x