Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AT8384
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4795 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M. van Olffen, advocaat te Leiderdorp, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 augustus 2003, reg.nr. 02/4007 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Appellante heeft nog nadere stukken overgelegd, waaronder verklaringen van haar dochter van 23 februari 2003 en van haar zoon van 24 februari 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 april 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Olffen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Bax en S. Klok, beiden werkzaam bij de gemeente Leiderdorp.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft van gedaagde over de periode van 26 maart 1997 tot en met 31 juli 2001 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder aangezien zij de zorg had voor haar twee kinderen, in 1985 en 1987 geboren uit de relatie met [partner] (hierna: [partner]). De bijstandsverlening is beëindigd in verband met werkzaamheden van appellante.

Naar aanleiding van de melding dat appellante samenwoonde met [partner] en onroerend goed bezat in Turkije, heeft het Team Sociale Recherche (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, zijn diverse instanties (waaronder het bevolkingsregister Leiderdorp, Rijksdienst voor het wegverkeer, Centrale Informatiebank voor onroerende goederen te Turkije) om inlichtingen verzocht, is appellante gehoord en zijn diverse buurtbewoners als getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 februari 2002. De onderzoeksresultaten waren voor gedaagde aanleiding om bij besluit van 5 maart 2002 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2001 in te trekken. Aan de intrekking heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante gedurende de gehele periode in geding, zonder daarvan aan gedaagde melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner] en bovendien gedurende een gedeelte van die periode beschikte over voor de bijstandsverlening relevant vermogen in de vorm van een appartement in Turkije.

Bij besluit van 9 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 september 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van het horen van haar kinderen als getuigen en benadrukt dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner].

De Raad stelt voorop dat hem niet is gebleken dat de rechtbank op onjuiste gronden heeft afgezien van het horen van de kinderen van appellante. Hierbij verwijst de Raad onder meer naar het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank waarin is vastgelegd, dat appellante desgevraagd heeft afgezien van het doen horen van haar beide kinderen.

Vervolgens komt de Raad met betrekking tot de vraag of appellante met [partner] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, tot en met 31 december 1997 derde lid van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. (…);
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. (…) of;
d. (…).

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [partner] kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Tussen partijen is niet in geschil dat [partner] in de periode van 1 juli 1997 tot 15 oktober 1998 hoofdverblijf had in de woning van appellante aan de [adres 2] te [woonplaats]. Daarbij merkt de Raad op dat het in dit kader niet van belang is in welke hoedanigheid [partner] in de woning van appellante verbleef. Voor de Raad staat dan ook vast dat appellante en [partner] in de periode van 1 juli 1997 tot 15 oktober 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, derde, respectievelijk vierde lid, onder b, van de Abw.

Volgens informatie uit het bevolkingsregister is [partner] op 15 oktober 1998 verhuisd naar de [adres 1] te [woonplaats], terwijl appellante met de kinderen aan de [adres 2] is blijven wonen. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellante en [partner] ook in de periode van 15 oktober 1998 en tot en met 31 juli 2001 gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante aan de [adres 2]. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellante op 31 januari 2002 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en vervolgens (zonder voorbehoud) ondertekende verklaring dat [partner] feitelijk bij haar en de kinderen is blijven wonen, hij slechts incidenteel in de nachten van zondag op maandag aan de [adres 1] verbleef en dat er na 15 oktober 1998 niets is veranderd aan hun gezinsleven. Dat deze verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De Raad voegt daaraan nog toe dat deze verklaring steun vindt in de door de buurtbewoners afgelegde verklaringen en de verrichte observaties.

Met betrekking tot de getuigenverklaringen die appellante in hoger beroep nog heeft ingezonden overweegt de Raad dat deze overwegend zien op de financiële verstrengeling tussen appellante en [partner] zodat daaraan niet die waarde gehecht kan worden die appellante daaraan toegekend wil zien. Ook de stempels in het paspoort van [partner] brengen de Raad niet tot een ander oordeel over het gezamenlijke hoofdverblijf van appellante en [partner].

Nu appellante en [partner], naar het oordeel van de Raad, gedurende de gehele periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde, respectievelijk vierde lid, onder b, van de Abw, had appellante als gehuwd moeten worden aangemerkt. Zij kon om die reden niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand. Door van een en ander geen melding te maken aan gedaagde heeft appellante in strijd gehandeld met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is haar over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2001 ten onrechte bijstand verleend, aangezien zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Daaruit volgt dat gedaagde met toepassing van artikel 69, derde lid aanhef en onder a, van de Abw gehouden was het recht op bijstand van appellante in te trekken. Gelet hierop kan de vraag of tevens sprake was van in aanmerking te nemen vermogen van appellante in het buitenland buiten bespreking blijven. De Raad is overigens niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om van intrekking af te zien.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2005.

Th.C. van Sloten.

A.H. Polderman-Eelderink




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x